Familiereeks

MARGARET FORSTER: Hidden Lives, a family memoir

309 blz., Viking 1995, ƒ 50,40

Het soort boek dat Margaret Forster, sinds lang bekend als romanschrijfster en biografe, deze keer geschreven heeft zou in iedere familie voor iedere generatie opnieuw gemaakt moeten worden. Het beantwoordt de vraag: hoe ging het bij vader en moeder en bij de grootouders vroeger; hoe moeten wij ze ons voorstellen als mensen los van onszelf? De meeste gezinnen hebben daarover alleen een stuk of wat vaak herhaalde anekdotes in omloop. Pas als het te laat is bedenken de kinderen dat zij er haast niets van weten en dat niemand er ooit meer achter zal komen.

Voor Hidden Lives, met Margaret Forsters grootmoeder en moeder als hoofdpersonen, heeft de biografe geen onderzoek gedaan. Zij heeft in de loop van de jaren iets meer vragen gesteld dan de meeste kinderen en van haar moeder veel zelf opgemerkt. Daarvan heeft zij een memoir kunnen maken waarin moeder, vader en tantes duidelijk uitgebeeld zijn. In het leven van haar grootmoeder blijven twintig vroegere jaren onzichtbaar; dat is een periode waar niemand ooit over praatte. Ook werd er niets gezegd over Alice, al woonde die vlak om de hoek: een halfzuster van moeder, misschien een buitenechtelijke eerste dochter van oma - maar hoe zat het dat grootvader getuige was geweest bij Alice's huwelijk? Onopgehelderd. Margaret Forster werd in 1938 geboren in een arbeidersbuurt van Carlisle, in het uiterste noordwesten van Engeland. Haar moeder Lily kwam uit een slagersgezin dat tamelijk welvarend was geweest totdat de vader jong stierf. Haar eigen vader had een baan in een fabriek voor een loon waar het gezin net van rond kon komen. Lily had het daar moeilijk mee, want zij was dol op mooie kleren en andere dingen buiten haar bereik. Tegelijk was zij van de oude school en aanvaardde als lot van de vrouw een leven van zwoegen en ploeteren tot de kinderen het huis uit waren, waarna haar gezondheid wel gauw zou gaan kwakkelen.

Na 1945 verschoven de inkomensverhoudingen, maar niet zoveel dat het leven van de Forsters in hun benarde huisje er comfortabel van werd. Wat er in de denkwereld van Margaret veranderde kwam in hoofdzaak door de ontdekking van haar eigen talenten, die haar eerst een plaats op de beste middelbare school van Carlisle opleverden en daarna een keus tussen Cambridge en Oxford. Na haar studie begon zij te schrijven, trouwde met Hunter Davies, die nog steeds haar echtgenoot is, en ging wonen in Londen bij Hampstead Heath. Het was geen leven in weelde, maar het speelde zich af zowat driekwart van de maatschappelijk ladder boven Carlisle. Als haar moeder op bezoek kwam werd die bovendien onthutst door een heel andere opvatting van het vrouwenleven dan zij ooit gekend had, met een eigen carrière, een gemechaniseerd huishouden en een echtgenoot die een deel van de boodschappen deed. Dat een arbeidersvrouw geboren in 1901 moeite had met wennen aan de wereld van haar knappe dochter zal in het algemeen voor niemand een verrassing zijn. Wat het boek van de dochter lezenswaard maakt is de individualisering van die ervaring: in de moeder die na tien jaar slechte gezondheid stierf met de overtuiging dat haar leven verspild was; in de vader die zijn pensioenjaren makkelijker opvatte; in tante Nan wier echtgenoot het tot een Rolls Royce gebracht had waarin zij uit winkelen ging, toch ook ongelukking vooral omdat haar enige kind al vroeg aan zware multiple sclerose leed.

De familieverhoudingen zijn stevig en zelfverzekerd beschreven, in een taal van een vrouw die het vak beheerst. In dat opzicht zou een vergelijkbaar werk bij de meeste gewone families minder waard zijn. Misschien zal het goede voorbeeld daarom weinig navolging vinden. Maar veel lezers zullen er iets aan beleven dat bij hun eigen geschiedenis zou passen: de ondervinding die Margaret Forster had wanneer zij in Carlisle terugkeerde om te zien hoe het er ook weer was, van een verwantschap met de doden en een herinnering aan haar kindertijd, “so sharp, that we all walked together”.