Europa heeft eurotaal nodig, geen euromunt

In vrijwel alle artikelen die er de laatste weken in deze en andere kranten zijn verschenen over de Europese eenwording, die nog voor het einde van deze eeuw gestalte moet krijgen door de invoering van de euro-munt, klinkt de bezorgde ondertoon door dat dit politieke paradepaard weinig publieke belangstelling geniet. Sterker: dat de meerderheid van de bevolking, althans in de landen van Noordwest-Europa geen voorstander is van het loslaten van de eigen munt.

Over de gevoelens die daarover in Engeland leven bestaat geen onduidelijkheid, en hetzelfde geldt mutatis mutandis voor Denemarken. In Zweden is de populariteit van het Verenigd Europa toch al aan sterke erosie onderhevig. De Duitsers worden steeds huiveriger voor het laten opgaan van hun supersterke DM in een groter geheel, en in Frankrijk wordt openlijk uitgesproken dat de sociale zekerheid wordt opgeofferd aan de eisen voor toetreding tot de Europese en Monetaire Unie (EMU) die door Duitsland worden gedecreteerd. En wat mag de gemiddelde Nederlander, die al met enige huiver heeft vernomen dat hij thans de grootste netto-bijdrager aan de Europese Unie is, voor voordelen verwachten van een monetaire unie tot welke - dat is nu wel duidelijk - in eerste instantie slechts enkele landen zullen kunnen toetreden?

Zeker, hij zal op zijn buitenlandse betalingen geen koersverlies meer hoeven te betalen; maar hoeveel zal dat procentueel op zijn jaarbudget uitmaken? En één muntsoort in vijf of zes landen betekent op reis nauwelijks nog een gemak nu men met één pinkaart overal automatisch lokaal geld kan opnemen.

Waarschijnlijk zal het bedrijfsleven kosten gaan besparen, maar wie garandeert dat dit in de consumentenprijzen zal doorwerken? We leven niet meer in de tijd van prijscontrole (al denkt men in de geneesmiddelenbranche daar misschien anders over). En de vraag waar het tenslotte allemaal om draait: zal de invoering van de euro inderdaad de Europese eenwording bevorderen? Brengt de munteenheid de burgers van de verschillende landen wezenlijk dichter bij elkaar?

NRC Handelsblad plaatste op 2 januari een forse advertentie waarin de uitspraak van Ludwig Wittgenstein 'De grenzen van mijn taal zijn de grenzen van mijn wereld' opvallend groot in een overigens wit veld stond afgedrukt.

Deze advertentie zou symptomatisch kunnen zijn voor de situatie van de gemiddelde Europese burger: door de begrenzing van zijn taalgebied bevindt hij zich in een vacuüm, omringd als hij is door landen waar hij zich niet of nauwelijks verstaanbaar kan maken. Dat zulks niet alleen geldt voor de man in the street heeft een aantal hilarische uitspraken van onze politici in het buitenland voldoende bewezen.

In het interview met Ralf Dahrendorf in NRC Handelsblad van 23 december stelt deze Duits/Engelse euro-realist dat er geen sprake is van een Europese cultuur, maar van een cultuur die per land zó verschillend is, dat vrijwel geen inwoner van Europa zich supra-nationaal Europeaan acht. Hij betrekt zijn betoog vooral op de sociaal-economische gegevenheden die de basis vormen van datgene wat de burger van zijn overheid verwacht en die niet overdraagbaar zijn aan een Europese overheid waar hij zich niet mee verbonden acht. De monetaire integratie ziet Dahrendorf dan ook als een randverschijnsel zonder wezenlijke betekenis voor de burger.

Als het om een veelheid van redenen niettemin waardevol en noodzakelijk blijft te streven naar Europese eenwording dan moet deze niet van bovenaf opgedrongen, maar van onderaf opgebouwd worden.

Van doorslaggevende betekenis hiervoor is niet dat men elkaar met gelijke munt kan betalen, maar dat men met gelijke mond kan spreken. Dat wil zeggen dat in de toekomst elke Europese burger naast zijn moedertaal één en dezelfde taal even goed beheerst.

Waar de regeringsleiders het over eens moeten worden is niet of in 1999 een paar landen overgaan op een supranationale munt, maar of er met onmiddellijke ingang één taal wordt gekozen die vanaf het eerste leerjaar voor alle kinderen in Europa als verplicht leervak wordt ingevoerd. Onverschillig of dit Engels, Esperanto, Latijn of een andere taal is, alleen als alle Europese burgers van de toekomst zich met hetzelfde gemak en gelijke vaardigheid daarin kunnen uitdrukken, kan er een basis ontstaan voor een werkelijke Europese integratie.

Let wel: dit is geen pleidooi voor het verwaarlozen of zelfs afschaffen van de eigen taal. Het is een correctie op de Babylonische spraakverwarring die de burgers van de landen binnen Europa verdeeld houdt en tot onbegrip, onverdraagzaamheid, en erger leidt.

Wanneer de regeringsleiders er niet in slagen op dit punt tot een gezamenlijke beslissing te komen blijkt de Europese gedachte een hersenschim en blijven alle andere maatregelen randverschijnselen die nimmer tot een wezenlijke Europese eenheid zullen leiden. De grens van zijn taal zal dan voor de burger de grens van zijn wereld blijven, met alle gevolgen vandien.

    • Johan Somerwil