Een vreemdeling

In ouderwetse dictaturen werd het buitenlandse bezoekers onmogelijk gemaakt om in contact te komen met de plaatselijke bevolking: gidsen, spionnen en agenten zorgden ervoor dat het nooit tot een ontmoeting met de bewoners kwam. In Noord-Korea gaat het geloof ik nog steeds zo. Maar in heel veel landen komt er helemaal geen staatsinmenging aan te pas om vreemdeling en inboorling van elkaar gescheiden te houden: daar heerst de dictatuur van de armoede en die maakt elke toenadering evenzeer onmogelijk.

Wie arme landen bereist en niet van het gebaand traject voor zakenlieden of toeristen afwijkt weet waarover ik het heb: vreemdelingen zijn daar op straat meestal omstuwd door mensen die in hun buurt trachten te komen, hun aandacht proberen te trekken, die hun hun koopwaar opdringen of hun gebrek voorhouden. De reizigers worden overvallen door medelijden, schaamte en ergernis. Dat medelijden is begrijpelijk: elke leproos in lompen, vervuilde mankepoot, blinde hongerlijder veroorzaakt groot alarm in de meldkamer van het meegevoel. Er moet iets aan gedaan worden, een muntje wordt verstrekt, desnoods een bankbiljet. De drom rondom de gever wordt alsmaar dichter, nog meer handen reiken, monden mummelen, ogen smeken, maar de vreemdeling heeft niets meer over dan zijn grootgeld en zijn cheques. Dan houdt het op.

Nu overheersen ergernis en schaamte. Wat moet dat gebroed ook op zijn pad, het stoort de natuurbeleving, bederft de couleur locale en vertraagt het marstempo. Bovendien, niemand wil zich zo oppermachtig voelen tegenover een armoelijder die voor zijn overleven van de dag op hem is aangewezen en niemand wil zich zo onmachtig voelen tegenover al die ellendelingen die samen ook door hem niet te redden zijn. De ergernis, de overmacht en de onmacht, ze zijn allemaal beschamend voor mensen die zo'n overdosis aan misère te verwerken krijgen. Koppig, met een rood hoofd en met lege handen staat de reiziger in zijn kring van smekelingen, een gedwongen hoofdrolspeler temidden van de figuranten in dit permanente straattheater. En met geen inboorling is op die manier ook maar een zinnig woord te wisselen of een persoonlijk contact te leggen.

Zoiets overkomt alleen de beginneling. Al gauw leert de reiziger met lege blik over mismaaktheid, waanzinscène of krepeergeval heen te kijken en elk aanbod van edelstenen, antieke maskers, of levende meisjes met een haast onmerkbaar hoofdschudden af te wijzen. Nu is hij precies de blanke naarling die hij gedacht had nooit te zullen worden, even ongenaakbaar als zijn inheemse kennissen (die hem daarin hebben opgevoed). Misschien kan hij het nog goed maken in zijn werk of bij het personeel.

Het zou goed zijn reizigers naar die landen er bij de verplichte inenting meteen op te wijzen dat zij een vast parcours voor vreemdelingen gaan volgen waarlangs permanent een haag van demonstranten van de armoe staat opgesteld. Die route vormt maar een minieme uitsnede van het land: de weg van het vliegveld naar het centrum van de hoofdstad, van de bezienswaardige ruïne hier, langs het wildreservaat daar, via het natuurwonder verderop, naar de badplaats ginds. En dan heb je het eigenlijk helemaal gehad. Langs dat traject strekt zich een lintbebouwing van ostentatieve armoede, een lopende band van venters en bedelaars geheel voor buitenlands gebruik. Tien meter verderop is het al anders, misschien nog wel armer, maar niet voor andermans oog bedoeld.

Langs die erehaag van zwendelaars, ronselaars, sjacheraars, bedelaars, mismaakten, wezen en predikers marcheert het defilé in korte broek en blote schouders, met strohoed en zonnebril, van hotel naar strand en terug. Bekijkt met kennersblik en vooral zuinig de armbandjes en de oorbellen, de vingerringen en de halskettingen, de asbakjes en de prullebakjes, de pindabakjes en de wattebakjes.

Groeten uit Dakar. Daar kennen ze ons. 'Ami, mon ami' roept een opgeschoten schooier met uitgestoken hand. En als ik hem negeer, sist hij 'Raciste!'. Wil ik een Afrikaan de hand niet schudden? Dat zal geen toerist zich laten zeggen, integendeel, die is de donkere medemens juist zeer welgezind. Dat misverstand zal hij dus even recht zetten, al moet het in het Frans. Hebbes en beet. Want een vriend van de derde wereld zal toch zeker wel dit fraaie souvenir tegen een spotprijs willen aanschaffen, of anders zich door zijn pas gevonden medemens als gids laten vergezellen? Zij hebben door dat de blanke Noorderling niet graag voor koloniaal of racist doorgaat en weten zijn sociaal geweten te bespelen. Die Noordelijke blanken zijn kennelijk veranderd sinds de koloniale tijd.

De samenspraakjes en tafreeltjes in deze comedie van het leed zijn tamelijk onschuldig en meestal geweldloos. Maar soms wordt er gerold en geroofd. In Dakar gaat dat volgens vaste procedure, en met zijn tweeën. De een benadert de buitenlandse passant met souvenirs, met cassettebandjes, of met een intekenlijst. Terwijl de voorbijganger zijn aandacht bij de een heeft, komt de ander naderbij en duikt in een snelle beweging naar zijn enkel die hij even omvat. Bij deze aanraking buigt de toerist zich onwillekeurig voorover; in die gebogen houding vouwen zijn broekzakken zich als bloemen open en plukken de jongens aan weerszijden met gestrekte vingers de biljetten eruit. Nog vóór de toerist door heeft wat hem is overkomen zijn ze alweer verdwenen.

Toen het mij gebeurde had ik niets in mijn zakken maar ontstak toch, tot mijn verbazing, in een daverende woede en bulderde het uit, in het Engels nog wel. Een van de twee was al weg, maar de ander bleef staan; een lichte, ranke jongen, uitdrukkingsloos van angst, leek me. Ik begon me in mijn rechtvaardige razernij steeds machtiger te voelen, maar mijn handen hield ik toch maar thuis.

Later overkwam het een kennis terwijl ik naast hem liep. Weer was er niets te halen, weer werd één van beiden betrapt en bleef als verlamd staan. Even later werd hij meegenomen door de politie om op het bureau te worden afgeranseld.

    • A. de Swaan