Een natie van verliezers

LÁSZLÓ MARÁCZ: Hongaarse kentering. Een politieke beschouwing over Midden-Europa

350 blz., Aspekt 1995, ƒ 59,90

In 1920 raakte Hongarije in het vredesverdrag van Trianon 72 procent van zijn grondgebied en 64 procent van zijn inwoners kwijt, verloor het zijn enige haven, tweederde van zijn spoorwegen en het grootste deel van zijn economisch potentieel. Miljoenen Hongaren werden staatsburger van andere, deels splinternieuwe buurlanden. Sinds drie van die landen de afgelopen jaren zijn uiteengevallen wonen er nu als gevolg van het Diktat van Trianon Hongaarse minderheden in zeven landen: Roemenië, de Oekraïne, Slowakije, Oostenrijk, Slovenië, Kroatië en Joegoslavië. En een Diktat wàs het. De leden van de Hongaarse onderhandelingsdelegatie in Trianon werden behandeld als gevangenen die per dag hooguit een uurtje naar buiten mochten om te worden gelucht.

Het verdrag van Trianon was de straf van de overwinnaars van de Eerste Wereldoorlog - Frankrijk voorop - voor iets waar de Hongaren part noch deel aan hadden gehad: het veroorzaken van de oorlog. Hongarije werd per saldo nog zwaarder bestraft dan Duitsland, in elk geval waar het zijn territorium en de verstrooiing van zijn inwoners betreft. Het betaalde de prijs van het nieuwe, mooie idee van de zelfbeschikking van volkeren: zelfbeschikking was er uiteindelijk voor iedereen, behalve voor de Hongaren.

'Trianon' is de Hongaren sinds 1920 als een steen op de maag blijven liggen. Het is voor menige Hongaar hèt bewijs deel uit te maken van 'een natie van verliezers', die sinds de slag tegen de Turken bij Mohács in 1526 alleen maar pech heeft gehad en slechts rampspoed heeft gekend. 'Trianon' is een trauma waarvan ze nooit zijn hersteld. Integendeel: het wordt nog verdiept door de discriminatie waaraan vooral de Hongaarse minderheden in Roemenië, Slowakije en de Vojvodina bloot staan. Vroeger, toen de fictie van de internationale proletarische broederschap met de socialistische buurlanden nog in stand werd gehouden en op het trauma nog een officieel taboe rustte, kon je in Boedapest op straat oude vrouwen zien staan die landkaarten van het Hongarije van vóór 1920 te koop aanboden. Nu is er geen boekhandel te vinden in Boedapest waar die kaarten niet te koop zijn, mèt al die Hongaarse gebieden die nog steeds deel uitmaken van die zeven boze buren.

Dr. László Marácz, docent Oosteuropese studies aan de Universiteit van Amsterdam, belicht in zijn Hongaarse kentering. Een politieke beschouwing over Midden-Europa de problematiek van Trianon, de behandeling van de Hongaarse minderheden en de vraag hoe hun lot moet worden verbeterd. Hij toont - overtuigend - aan hoe de Hongaren, veronderstelde bondgenoten van Duitsland, in 1920 het slachtoffer werden van de anti-Duitse machtspolitiek van de Britten en de Fransen en van de negatieve vooroordelen en stereotypen die sinds het begin van de eeuw in het Westen jegens de 'barbaarse' en 'Aziatische' Hongaren opgang deden.

In het Interbellum heeft Boedapest nog wel pogingen gedaan 'Trianon' te herzien, maar zonder succes. Na 1945 kwam daaraan een eind, want klagen over de behandeling van minderheden in andere socialistische landen of de onrechtvaardigheid van grenzen was ten tijde van het socialisme niet denkbaar. Pas kort voor 1989 kon Boedapest - en dan alleen nog bij de Roemeense dictator Ceausescu, die het bij de onderdrukking van de Hongaarse minderheid het bontst maakte - voorzichtig aan de bel trekken. Ook zonder succes trouwens.

Democratie

De opeenvolgende Hongaarse regeringen, ook die ná 1989, krijgen er in Hongaarse kentering flink van langs, omdat ze te weinig deden en doen voor de Hongaren over de grens en omdat ze met de buurlanden verdragen ondertekenen zonder voor de minderheid het onderste uit de kan te halen. Marácz is daarbij meestal wel, maar niet altijd overtuigend. Als de conservatief-nationalistische Hongaarse premier Antall het verdrag met de Oekraïne (waarin niet wordt voorzien in autonomie voor de Hongaarse minderheid) door het parlement loodst, oordeelt Marácz dat “de overeenkomst een weinig democratisch draagvlak” heeft, omdat de oppositie van ex-communisten en links-liberalen Antall aan een meerderheid helpt. Maar in een fatsoenlijke parlementaire democratie biedt elke parlementaire meerderheid per definitie een democratisch draagvlak, ongeacht hoe die meerderheid wordt opgebouwd.

Ook elders zijn de uitlatingen van Marácz soms fors aangezet. Hij ziet op onverwachte momenten samenzweringen tegen de Hongaren. Zo is volgens Marácz de al meer dan honderd jaar alom gehanteerde indeling van het Hongaars bij de Fins-Oegrische taalgroep een 'mythe', bedoeld om de Hongaren te koppelen aan onduidelijke volkjes als de Wogoelen en de Ostjaken en daarmee hun zelfbewustzijn te ondermijnen. Ook is de alom in encyclopedieën terug te vinden Roemeense opvatting over de continuïteit van de Romaans/Roemeense aanwezigheid in Transsylvanië voor Marácz “het resultaat van een machtspolitieke beslissing” eerder dan - wat ik geloof - een misplaatst succes van de Roemeense propaganda. Voor Marácz staat ten slotte vast - ook dat wordt gepresenteerd als een soort samenzwering - dat “de trianonisten nog steeds het veld in Midden-Europa domineren” en daarbij hun eigen “agenda” hanteren. “De Duitse macht in Midden-Europa moet kort worden gehouden. Dat kan alleen worden bereikt als het gebied in een eindeloze spiraal van interne tegenstellingen vervalt zodat het uiteindelijk tot chaos en woestenij verwordt. Vandaar dat de extreem-nationalistische krachten in de regio vrij baan krijgen, mits zij de kaart spelen van de Trianon-coalitie. Dit verklaart tevens waarom de Servische leiders Milosevic en Karadzic hun gang konden gaan.”

Passages als deze zijn niet vol te houden. Ik ken althans geen Westerse leiders die er serieus van kunnen worden beschuldigd Middeneuropese extremisten aan te moedigen. Eerder integendeel, zie het relatieve isolement waarin Slowakije en Roemenië zich mede naar aanleiding van de discriminatie van de Hongaren hebben gemanoeuvreerd. Dergelijke sweeping statements - en enkele feitelijke onjuistheden - ondergraven hier en daar de argumentatie.

Marácz, die de oplossing van het probleem van de Hongaarse minderheden vooral ziet in hun territoriale autonomie, bespeurt een kentering: hij ziet de aandacht voor het probleem toenemen. Waar dat optimisme vandaan komt is niet helemaal duidelijk. De EU dwingt de Midden- en Oosteuropeanen hun onderlinge conflicten, ook die over de minderheden, bij te leggen. Marácz vindt dat een “chantage-politiek”, omdat volgens hem die dwang 'Trianon' bevestigt. Daar kan zijn optimisme dus niet vandaan komen. Hij voert parlementaire debatten aan, onder andere in de Tweede Kamer, als ondersteuning van zijn optimisme. Maar het is helaas niet zo dat een paar Kamerleden of zelfs de Nederlandse regering Oosteuropese nationalisten in het gareel kunnen dwingen.

Het komt me eerder voor dat de problemen van de Hongaarse minderheden nog toenemen omdat de onderdrukking waaraan ze bloot staan toeneemt en Boedapest daar maar weinig tegen doet. De Hongaarse premier Horn heeft onlangs in een gesprek met deze krant toegegeven goede relaties met Joegoslavië, Roemenië en Slowakije belangrijker te vinden dan het lot van de Hongaarse minderheden in die landen. Hij tekende een basisakkoord met Slowakije en voldeed daarmee aan een eis van de EU. De EU is tevreden, maar Slowakije heeft de discriminatie van de Hongaarse minderheid sindsdien alleen maar geïntensiveerd. Een basisverdrag met Roemenië is er nog altijd niet, maar Boedapest doet maar weinig om de toenemende discriminatie van de Transsylvaanse Hongaren tot staan te brengen, en evenmin is het bereid (of bij machte) iets te doen tegen de 'etnische zuivering' onder de Hongaren in de Vojvodina, alle goede relaties met Belgrado ten spijt. Horn stelt dat goede relaties met de regeringen van de buurlanden 'vanzelf' ten goede komen aan de Hongaarse minderheden, maar wordt dagelijks, en dagelijks méér, in het ongelijk gesteld. Marácz pleit terecht voor een wat minder bangelijk buitenlands beleid van Boedapest.

De uitgever van Hongaarse kentering heeft nagelaten een ervaren eindredacteur de tekst nog eens grondig door te laten nemen. Formuleringen als “de switch tussen de positieve en negatieve waarden wordt getriggerd door”, schrijffouten als “het vergrootte Duitsland” en “het bevrijdde meisje” en woorden als 'atrociteiten' doen hier en daar pijn aan de ogen.

Ondanks al deze deelkritiek is Hongaarse kentering een nuttig boek, omdat het de aandacht vestigt op een probleem dat te weinig aandacht krijgt. Het is de tragiek van de Hongaren in Transsylvanië, Vojvodina en het zuiden van Slowakije (en van de Albanezen in Kosovo trouwens) dat ze internationaal goeddeels worden genegeerd omdat ze weliswaar protesteren maar zich verder vreedzaam gedragen. Het is voor hun een bitter gegeven dat wie rellen veroorzaakt of de wapens opneemt, alom serieus wordt genomen, maar dat wie met zijn klachten beleefd op de deur van Europa klopt, te horen krijgt dat er elders dringender problemen zijn.

Deze vaststelling is geen pleidooi vóór geweld, maar een pleidooi tégen die internationale onverschilligheid. Door die onverschilligheid zijn de Hongaren van de Vojvodina die in snel tempo 'etnisch gezuiverd' worden, de Hongaren in Transsylvanië die verder in hun onderwijsmogelijkheden worden beperkt en de Hongaren in Slowakije die sinds 1 januari in het contact met de overheid hun eigen taal niet meer mogen gebruiken, het slachtoffer van hun eigen fatsoen. Misschien kan het boek van Marácz ertoe bijdragen dat die Europese onverschilligheid jegens een potentiële nieuwe brandhaard in Europa een klein beetje vermindert.

    • Peter Michielsen