De zachte zuivering aan de universiteiten in de ex-DDR; Wetenschap met schone handen

Sinds de Wende van 1989 is het wetenschapsstelsel in de voormalige DDR ingrijpend hervormd. In zes jaar tijd werden bijna alle onderzoeksinstituten opgeheven of vervangen, en verloor de helft van het universiteitspersoneel zijn baan. Marxisme werd handelsrecht en leninisme communicatie-wetenschap: over de kwaliteit en de koloniale trekjes van een wetenschapsrevolutie.

Wie er ook bijgedragen hebben aan de val van de Muur, in ieder geval niet het personeel van de universiteiten van de voormalige DDR. De Oostduitse wetenschap diende voornamelijk om de DDR-dictatuur te legitimeren. De universitaire medewerkers moesten zich dus loyaal opstellen ten opzichte van het politieke systeem. Vrijwel iedereen was lid van de SED, censuur en spionage waren aan de orde van de dag. Wat is er na de Wende gebeurd met deze universitaire instituten en de personen die daaraan verbonden waren? “Voor deze mensen was 1989 intellectueel, mentaal en gevoelsmatig een val in de afgrond”, zegt de historicus Rainer Eckert, sinds 1991 werkzaam aan de prestigieuze Humboldt-universiteit in het voormalige Oost-Berlijn. De meerderheid van de DDR-elites was volgens hem overtuigd communist, overtuigd lid van de SED en aanhanger van de staat, en zeker geen instrument in handen van het Polit-buro en de SED-leiding. “Ik heb veertig jaar met hen samen geleefd en ik zag de meeste van mijn collega's uit overtuiging handelen. Natuurlijk hadden ze daar ook persoonlijk voordeel van, zoals het maken van reizen naar het westen. Maar voorop stond steeds de gedachte het systeem te redden en het gezag van de SED te behouden. Ook bij de meer kritisch ingestelde mensen, de Gorbatsjov-aanhangers, de 'Perestrojkisten' van de laatste jaren van de DDR. Voor al deze mensen is de wereld in 1989 in elkaar gestort. Ze hebben niet alleen hun werk verloren omdat ze in SED-instituten of aan de universiteit werkzaam waren. Ook degenen die niet ontslagen werden hebben hun belangrijke leidende posities verloren.”

Het leven van Rainer Eckert weerspiegelt een aantal cruciale ontwikkelingen en breuken in het twintigste-eeuwse Duitsland. Alleen al de geschiedenis van zijn woonhuis spreekt boekdelen. Aanvankelijk woonde er een SS'er met zijn gezin, daarna zaten er Russen, vervolgens DDR-functionarissen, en nu woont Eckert er zelf. Momenteel is hij echter, typisch voor de tijd na 1989, verwikkeld in een strijd met Westduitsers die het huis claimen.

Eckert heeft niet tot de DDR-elites behoord, integendeel. In 1972 werd hij, 22 jaar oud, met dertien medestudenten van de Humboldt-universiteit verwijderd. De belangrijkste aanklacht was zijn engagement met het democratisch socialisme à la Dubcek. Verder werd hij beschuldigd van het smokkelen en verspreiden van verboden literatuur. “Het was opvallend dat ze me niet van 'burgerlijk' verzet beschuldigden, maar van 'links radicalisme'. Nu weet ik - dat wist ik toen nog niet - dat de Staatssicherheit erachter zat. Maar ik werd ondanks mijn 'staatsvijandige hetze' niet gearresteerd, omdat bij mijn groep een neef van een lid van het Polit-buro zat.”

Nadat hem de toegang tot de universiteit was ontzegd en hij de DDR niet meer mocht verlaten, werkte de dissident Eckert drie jaar lang in een Berlijns bouwbedrijf. Toch slaagde hij er als Fernstudent nog in om af te studeren. Vanaf 1975 werkte hij als wetenschappelijk medewerker aan de Akademie der Wissenschaften van de DDR. Aan deze onderzoeksinstituten was de vrijheid volgens Eckert veel groter dan aan de universiteiten, waar men werd opgeleid voor functies in de maatschappij, het leger, de partij en scholen. “Daarom was de politieke indoctrinatie aan de universiteiten ook veel sterker. De academies hielden zich uitsluitend bezig met onderzoek. Ze moesten de DDR ook naar buiten toe vertegenwoordigen. Veel mensen die van de universiteit verwijderd waren of zelfs in de gevangenis hadden gezeten, konden aan zo'n academie werken. Het regime wilde de oppositie niet versterken.”

Middenkader

De wijze waarop de oude DDR-universiteiten na de Wende hervormd zouden moeten worden, staat omschreven in artikel 38 van het verenigingsverdrag van 1990. Daarin wordt gesproken van de 'inpassing van wetenschap en onderzoek (van de DDR, red.) in de gemeenschappelijke onderzoeksstructuur van de Bondsrepubliek Duitsland'. Dit betekende in de praktijk dat in de nieuwe Duitse deelstaten in grote lijnen het Westduitse systeem werd overgenomen. Dat bracht een revolutie teweeg in het voormalige Oostduitse wetenschapsstelsel. De Westduitse historicus Jürgen Kocka spreekt zelfs van een wisseling van de elites sinds 1990 die ingrijpender is dan die in het westelijke deel van Duitsland na 1945.

Hoe zagen de concrete veranderingen eruit? De Oostduitse Akademie-instituten, waar 32.000 personen werkten, werden geëvalueerd door een wetenschapsraad, die voornamelijk uit Westduitsers en verder uit Oostduitsers en buitenlanders bestond. Op basis van de resultaten van oneindig veel onderzoeken en gesprekken werden bijna alle 130 onderzoeksinstituten opgeheven. Maar tegelijkertijd werden er ook zo'n negentig nieuwe, kleinere onderzoeksinstituten onder Westduitse leiding opgericht. Ongeveer de helft van het oude personeel kreeg daar na sollicitaties en individuele evaluaties een nieuwe baan.

De hervormingen van de universiteiten, die in totaal 14.000 medewerkers hadden, werden door de nieuwe regeringen van de verschillende deelstaten geregisseerd. Afhankelijk van de politieke kleur van de regeringen ontstonden grote verschillen tussen universiteiten als die van Oost-Berlijn, Potsdam, Leipzig en Dresden. Volgens Kocka is het wetenschappelijke en niet-wetenschappelijke personeel van de universiteiten tussen 1989 en 1995 gehalveerd. Vooral mensen uit het zogenaamde middenkader, waaronder een groot aantal vrouwen, werden ontslagen. Ook veel professoren moesten opnieuw solliciteren. De secties marxisme-leninisme verdwenen en er kwamen nieuwe vakken bij, zoals handelsrecht en communicatiewetenschap.

Het is opvallend dat het personeel van de voormalige DDR-universiteiten vooral werd beoordeeld op zijn wetenschappelijke kwaliteiten en veel minder op zijn politieke verleden. Politieke zuiveringen hebben betrekkelijk weinig plaatsgevonden. Iemand moest het wel heel bont hebben gemaakt om om politieke redenen ontslagen te worden. De Westduitse historicus Heinrich August Winkler (1938), sinds oktober '91 hoogleraar en voorzitter van de vakgroep geschiedenis aan de Humboldt-universiteit: “Het ging dan bijvoorbeeld om docenten die jarenlang collega's of studenten haddden bespioneerd. Vrijwel iedereen was wel lid van de SED, dat was normaal. Maar je moest werkelijk nauw betrokken zijn geweest bij activiteiten van het Ministerium für Staatssicherheit om op politieke gronden je baan te verliezen.” Bovendien was, voordat de grond te heet onder de voeten werd, een groot aantal van deze Stasi-medewerkers vaak al uit eigen beweging weggegaan.

Als hoofdverantwoordelijke voor de hervormingen bij de vakgroep geschiedenis heeft Winkler het de laatste jaren niet gemakkelijk gehad. Veel ontslagen wetenschappers spanden een proces aan. Eén van hen was Kurt Pätzold, die in de DDR-tijd meewerkte aan de verwijdering van studenten op politieke gronden. In het voorjaar van 1968 bijvoorbeeld, vroeg hij studenten naar hun mening over de 'Praagse Lente'. Nadat de opstand in augustus was neergeslagen, bleek schriftelijke kritiek op het starre communistische regime in enkele gevallen aanleiding om studenten van de universiteit te verwijderen. Vanwege dit soort praktijken werd Pätzold na de Wende ontslagen. Het proces dat hij hiertegen aanspande, verloor hij.

Kolonialisme

Het thema hervormingen blijkt aan de voormalige DDR-universiteiten bijzonder delicaat. Er zijn twee invalshoeken. De ene is dat het een schande zou zijn wanneer de oude elite die in de DDR aan de universiteiten zo lang de dienst heeft uitgemaakt gewoon zou kunnen blijven zitten. Alle universiteiten zouden om politiek en wetenschappelijk geloofwaardig te zijn geheel opgeheven ('abgewickelt') dienen te worden; alleen de Oostduitsers die de concurrentiestrijd met de Westduitsers aankunnen, zouden een nieuwe baan moeten krijgen. De andere invalshoek is dat het oosten 'gekoloniseerd' zou zijn door arrogante, rücksichtslose Westduitsers. Zij zouden onder veel betere omstandigheden zijn opgegroeid en dus gemakkelijk praten hebben, terwijl ze hun wetenschappelijke systeem opdringen aan Oostduitsers die nu eenmaal niet anders konden dan meewerken aan het systeem.

De werkelijke gang van zaken lijkt zich tussen beide uitersten afgespeeld te hebben. Er is, uitzonderingen daargelaten, noch sprake geweest van Westduits kolonialisme noch van laksheid ten aanzien van politieke wandaden van de oude universitaire DDR-eliten. De meeste wetenschappers zijn het erover eens dat de hervormingen in het algemeen grondig, zorgvuldig, sociaal verantwoord en succesvol zijn geweest. Aan de ene kant hebben veel voormalige Oostduitse wetenschappers nieuwe kansen gekregen, aan de andere kant is en blijft een universiteit natuurlijk een universiteit: zij dient kwalitatief hoogwaardig onderzoek en onderwijs te bieden, politiek en moreel geloofwaardig te zijn en nationaal en internationaal een sterke concurrentiepositie in te nemen om studenten aan te trekken en te overleven. En in dat opzicht lijken Westduitsers - althans voorlopig - onmisbaar voor de kwaliteit en aantrekkingskracht van de voormalige Oostduitse universiteiten. Eckert:“De hervormingen en de evaluaties zijn in het algemeen eerlijk verlopen. Het nadeel was wel dat de evaluatiecommissie vrijwel alleen uit Westduitsers bestond. Men kwam helaas niet op het idee om mensen uit de Oostduitse burgerbeweging, de voormalige oppositie, te vragen. De meeste van hen spelen nu geen enkele rol meer. Zij leven zelfs van een bijstandsuitkering. Dat het politieke verleden van iemand een belangrijke rol speelde bij de beoordeling, zoals de PDS altijd heeft gesteld, klopt niet. In hoofdzaak ging het de evaluatiecommissie om de wetenschappelijke kwaliteiten.”

De maatregel om voormalige onderzoekers van de Akademie der Wissenschaften onderdak te bieden aan de universiteit, maakt deel uit van het Wetenschappers Integratie Programma (WIP). Dit vijfjarige programma loopt eind 1996 af. Dan wordt beoordeeld of mensen definitief kunnen blijven of niet. Voor Eckert zal dit waarschijnlijk geen probleem zijn. Hij toont zijn curriculum vitae en zijn publicatielijst, die hij, stelt hij met nadruk, 'toevallig' net bij zich heeft. De lijst is, met meer dan vijftig titels na 1989, indrukwekkend. Eckert bezocht sinds de omwenteling ruim dertig landen en moet de laatste jaren dus als een bezetene hebben gewerkt.

Eckert onderzoekt onder meer de geschiedenis van de Humboldt-universiteit, de oppositie in de DDR en de 'Staatssicherheits'-problematiek. “Veel van mijn collega's hier weten dat ik nogal wat Stasi-documenten heb gezien, ook die van hen. Daarom ben ik niet altijd even geliefd. In feite zijn er hier drie verschillende groepen: een kleine, hechte dissidentengroep uit de DDR waar ik zelf deel van uitmaak; dan de historici die zich in de DDR hebben aangepast en die de nieuwe ontwikkelingen met argusogen volgen. Zij nemen een geïsoleerde positie in, ze gaan alleen met elkaar om. Tenslotte zijn er Westduitse historici, die in hun hoofd nog in het westen leven. Zij werken hier twee of drie dagen, stappen vervolgens in het vliegtuig en vliegen weer terug naar München of Hamburg. Over de integratie van Oost en West hier aan de universiteit ben ik niet zo positief'.

Winkler is optimistischer. Hij kan ook niet anders: als Westduitser die verantwoordelijk is geweest voor de hervormingen moet hij zijn beleid verkopen. “Doordat de hervormingen eerlijk zijn verlopen en zowel de Oost- als Westduitsers die hier werkten opnieuw moesten solliciteren, is er een hoge mate van gelijkheid', zegt hij. “Degenen die hier werken hebben allemaal voldoende wetenschappelijke kwaliteiten en de samenwerking verloopt uitstekend.” Toch zijn veel andere betrokkenen van mening dat er wel degelijk sprake van tweespalt is. Er waren zelfs twee verschillende studiegidsen: één met de west- en één met de oost-professoren. Eckert: “Toen wij hier aan de universiteit kwamen werken, waren er nog veel studenten uit het oude SED-bestand. Die hebben ons geboycot. Ook de colleges van Winkler, die te boek stond als iemand die hier krachtig wilde ingrijpen, werden door maar twee of drie studenten bezocht, terwijl hij in het westen gewend was aan honderden studenten.” Inmiddels zijn er studenten uit het westen gekomen, en worden de colleges beter bezocht. Volgens de Humboldt-universiteit is van de ruim 25.000 studenten die er in het zomersemester van 1995 studeerden, 44 procent afkomstig uit de nieuwe deelstaten (Oost-Duitsland), 20 procent uit de oude deelstaten (West-Duitsland) en 30 procent uit Berlijn, waarvan ongeveer evenveel studenten uit Oost- als West-Berlijn komen. Dat betekent dat ongeveer een derde deel van de studenten uit het westen afkomstig is.

Onderdanenmentaliteit

Ook aan de universiteit van Potsdam, even buiten Berlijn, komt omstreeks een derde van de studenten uit het westen. De van oorsprong Westduitse Manfred Görtemaker (1951), hoogleraar nieuwe geschiedenis en plaatsvervangend rector magnificus, is hier nauw bij de hervormingen betrokken geweest. De universiteit van Potsdam was in de DDR-tijd een hogeschool die studenten opleidde voor het leraarschap (de Pedagogische Hogeschool 'Karl Liebknecht'). Görtemaker: “De situatie in Potsdam is absoluut niet representatief voor heel Oost-Duitsland. De universiteit van Potsdam heeft lange tijd de naam gehad dat zij te mild met het vroegere personeel is omgesprongen, wat veel kritiek in de pers opleverde. In bijvoorbeeld Saksen of Thüringen is veel harder en radicaler met het personeel omgegaan. Hier in Brandenburg heeft de regering onder leiding van de SPD'er Manfred Stolpe een grote invloed uitgeoefend. Meer dan drie kwart van het vroegere personeel is gebleven.” De universiteit werd gedwongen het middenkader van de DDR-hogeschool over te nemen. Görtemaker: “Eerlijk gezegd ben ik er niet blij mee. Die mensen zitten hier tot hun pensioen, of ze nu functioneren of niet. Nu hebben we de komende twintig tot dertig jaar dus een groot probleem. Het verwijt dat we steeds horen, niet in de laatste plaats uit Nederland, dat de Wessi's door dit land zijn geraasd en alles hebben weggevaagd, is volledig onterecht. Het tegendeel is het geval. Ik denk er wel eens over deze universiteit weer zo snel mogelijk te verlaten, want ik kan het niet accepteren dat ik geen veelbelovende jonge mensen kan benoemen.

“Wat me ook teleurstelde toen ik hier kwam, was de geringe intellectuele nieuwsgierigheid na 1989. Ik dacht dat mensen die veertig jaar lang zijn onderdrukt nu zouden herademen, eindelijk de boeken zouden lezen die ze al die tijd niet hadden kunnen lezen en verre reizen zouden maken. Zeker aan een universiteit. Maar men was daarin eenvoudigweg niet geïnteresseerd.”

Görtemaker neemt het woord niet in de mond, maar uit zijn verhaal doemt het beeld op van wat vaak de Duitse 'onderdanenmentaliteit' wordt genoemd. “De DDR was een brave en kleinburgerlijke maatschappij. De inwoners waren gedwongen om zich aan te passen en te gehoorzamen, anders kon je in een totalitaire dictatuur niet overleven. Maar nu gebeurt hetzelfde. Ze passen zich aan de nieuwe structuren precies zo aan als aan de oude: gehoorzaam maar zonder ze zich eigen te maken. Dat is tamelijk treurig. Wat overheerst is een gevoel van sociale onzekerheid, de angst dat de eigen positie in gevaar is. Zelfs bij de studenten moet je erg veel moeite doen om discussies op gang te brengen, die moeten van bovenaf worden opgelegd. Studenten uit Oost-Duitsland hebben een zuiver receptieve mentaliteit. Ze spreken niet tegen, ze stellen geen vragen, zijn niet gewend aan discussies - ein totales Schweigen.”

Stereotypen

De studenten van de universiteit van Potsdam zelf zien de verschillen tussen Wessi's en Ossi's echter veel sneller verdwijnen dan Görtemaker. Op een grasveldje zitten de twee vriendinnen Anja en Sonja bij elkaar. Anja komt uit Potsdam, Sonja uit Hannover. Ze studeren chemie en wiskunde en zijn twintig jaar. “De integratie vormt geen probleem, interesseert de meesten zelfs niet meer. De mentaliteit verandert snel, tenminste bij de jeugd. De Ossi's en de Wessie's die zich voor elkaar afsluiten zijn een minderheid. Wij gaan zonder problemen met elkaar om en vinden het interessant om ervaringen uit te wisselen. De stereotypen gaan ook steeds minder op. Een Wessi stond te boek als arrogant, ambitieus, beter gekleed en als iemand die op zijn imago let. Een Ossi gold als hulpeloos, angstig, schuw, naïef en idealistisch. Dat klopt niet meer.”

Ook over de hervormingen aan de universiteiten is de meerderheid van de studenten zeer te spreken. Ze zijn blij dat er goede professoren uit het westen zijn aangesteld en dat ze nu kunnen studeren. “Voor mij is dat hét grote voordeel van de Wende”, zegt een studente biochemie. “In de DDR hadden kinderen die bijvoorbeeld officier wilden worden voorrang, net als de kinderen van de politieke elite. Zonder relaties kreeg je weinig voor elkaar. Dat is nu voorbij.”

Aan de Humboldt-universiteit van Berlijn lijken studenten uit Oost- en West-Duitsland nog sterker geïntegreerd dan in Potsdam. De meeste studenten uit het westen kozen voor deze universiteit omdat ze nieuwsgierig waren naar het oosten en zich aangetrokken voelden tot het avontuur. Intussen zeggen zowel Wessi's als Ossi's dat ze er meestal niet eens meer aan denken om te vragen waar iemand vandaan komt. Vrijwel alle studenten zijn opvallend optimistisch over het samengaan van Ossi's en Wessi's, de toekomst van Duitsland - de meesten zien een stabiel, liberaal en democratisch Duitsland in het verschiet -, en ook over hun eigen toekomst. Een verklaring zou kunnen zijn dat de meesten van hen een jaar of vijftien waren toen de Muur viel. Zij zijn door het DDR-verleden nog niet zo zwaar belast. In tegenstelling tot de uitkomsten van een groot opgezet onderzoek dat het tijdschrift Der Spiegel vorig jaar publiceerde, en waaruit bleek dat een groot gedeelte van de DDR-bevolking zich nog steeds onzeker en een tweederangs burger voelt, lijkt hier een zelfverzekerde generatie op te groeien die niet bang is voor de toekomst.

Marco Cisnik, een 27-jarige student geschiedenis en geografie in Potsdam, is afkomstig uit een dorp in de voormalige DDR. Voor hem kwam de omwenteling van 1989 volledig uit de lucht vallen. “Ik was volkomen verrast maar vooral teleurgesteld. Het heeft twee jaar geduurd voor ik daar overheen was. Aanvankelijk dacht ik dat er sprake was van een contra-revolutie. Ik dacht zwart-wit en heb vol overtuiging in de DDR geloofd. Zoals de meeste jongeren was ik lid van de FDJ (Freie Deutsche Jugend, red.). Ik wist bijna niets van de buitenwereld.” Nu, zes jaar na de val van de Muur, kijkt hij met heel andere ogen naar het vroegere Oost-Duitsland. “Ik besef nu dat iedere ideologie leidt tot dogmatisme. Ik voel me bevrijd. Over de toekomst ben ik optimistisch. De verschillen tussen Wessi's en Ossi's zullen steeds meer verdwijnen.”

    • Patrick Dassen