De spanning tussen Le Monde en de illusie-Mitterrand

PARIJS, 13 JAN. François Mitterrand is in Frankrijk vijftig jaar op het hoogste niveau politiek actief geweest. Geen instelling heeft die halve eeuw zo intens meegemaakt als het dagblad Le Monde, opgericht eind 1944 en successievelijk sceptisch, enthousiast en opnieuw in toenemende mate kritisch over de man van wie hoofdredacteur Jean-Marie Colombani maandag schreef: “Zijn presidentschap is een persoonlijk succes geweest, maar een echec voor links”.

De krant wijdde gisteren een hele bijlage aan haar berichtgeving door de jaren heen over de man die ondanks zijn voor een socialist onwaarschijnlijke achtergrond van gezeten, regionaal en conservatief katholicisme de eerste naoorlogse leider werd die links aan de macht bracht. In die bijlage worden ook enkele zelfkritische vragen gesteld, met name in een artikel uit 1994 van André Laurens, hoofdredacteur van 1982 tot 1985, dat wil zeggen in de eerste jaren van Mitterrands eerste ambstermijn ('81-'88).

Laurens erkent dat de krant tijdens Mitterrands uitvoerige gooi naar de macht - hij was presidentskandidaat in 1965 en 1974 - niet genoeg heeft gekeken naar de deugdelijkheid en uitvoerbaarheid van zijn programma. Anders gezegd: “Wie was de persoon die schuil ging achter zijn nieuwe tooi? (..) We waren veel meer gefascineerd door de (al of niet verborgen) bedoelingen van zijn bondgenoten, de communisten.”

Patrick Jarreau (43) is tegenwoordig chef van de centrale redactie 'France' van Le Monde. Hij herinnert zich de logica van die steun van weleer. “De krant had onder Laurens een 'positieve grondhouding' ten opzichte van de regering-Mitterrand. Wij hadden in 1974 en 1981 aangeraden op hem te stemmen, wij waren mee verantwoordelijk voor de opkomst van links. Wij voelden een soort solidariteits-verplichting.”

Laurens, die tegenwoordig optreedt als lezers-ombudsman van de krant, is eerlijk genoeg om in zijn gisteren herdrukte stuk van 12 september 1994 te erkennen dat Le Monde zichzelf daarmee zwaar in de vingers heeft gesneden. “Le Monde heeft het succes van zijn overtuiging duur betaald: zij werd gezien, geaccepteerd en beleefd als een krant die dicht bij links stond. (..) In de ogen van lezers die in het andere kamp thuishoorden was de krant opgehouden objectief te zijn.”

Het heeft Le Monde veel lezers gekost en de krant is na jaren van interne strubbelingen over de koers en de mensen om die te bepalen nog steeds op zoek naar economische rentabiliteit, al gaat het na het laatste vernieuwingsplan de goede kant op. Dat is meer dan menige andere Franse krant kan zeggen. Het economisch herstel duurt lang, maar journalistiek is Le Monde al vrij snel op zijn schreden gekeerd.

Patrick Jarreau: “In die eerste jaren van Mitterrands presidentschap zaten op de politieke redactie onder meer Colombani, Edwy Plenel en ik zelf. Wij waren politiek gezien opgegroeid in de jaren '70 met de opkomst van links. Wij hadden misschien meer dan een vorige generatie geloofd in de beloftes van links en keken dus strenger naar de resultaten. Op den duur waren wij ook heftiger teleurgesteld.

“Wij hebben de eerste omslag van Mitterrands politiek nog verdedigd, de economische strengheid van '82 en '83 was nodig, wij gaven Mitterrand, Mauroy en Delors gelijk. De eerste twijfel kwam toen wij de hardheid zagen waarmee de maatregelen, met name ten opzichte van de staalarbeiders werden doorgevoerd. De Franse werknemers zijn toen bijzonder hard aangepakt, op een manier die rechts zich nooit zou hebben veroorloofd. Colombani schreef in '84 voor het eerst over 'de nieuwe armen'. Ons was een breuk met het kapitalisme beloofd, maar we kregen Abbé Pierre, bedeling en liefdadigheid - heel respectabel, maar niet de opzet.”

En toen begonnen 'de affaires', de rode draad door de afrekening van Le Monde met het mitterrandisme. Onthullingen over de illegale afluisterpraktijken van het Elysée, over de vernietiging door de Franse geheime dienst van de Rainbow Warrior in Auckland, de onregelmatigheden met ontwikkelingshulp (waar Mitterrands zoon Jean-Christophe nauw bij betrokken was), de vermenging van vriendschap en persoonlijke verrijking en de affaire-Urba (illegale financiering van de Parti Socialiste en de campagne tot herverkiezing van Mitterrand) leidden er toe dat de in 1995 afgetreden president ophield Le Monde te lezen en op den duur alle abonnementen van het Elysée op Le Monde liet opzeggen.

Jarreau: “Links verzuimde niet alleen zijn sociaal-economische beloftes te houden. Ook in moreel opzicht lapte het zijn programma aan de laars. Mitterrand had jaren lang de gaullistische machtsuitoefening te vuur en te zwaard bestreden als autoritair en corrupt. Zijn boek over de 'permanente staatsgreep' ging er over. Hij bleek ergere praktijken in zijn omgeving toe te laten en remde het justitieel onderzoek ernaar actief af.

“Tegen het eind van Mitterrands eerste ambtstermijn was er bij sommigen op de redactie een opleving van 'tontonmanie': 'Mitterrand die ouwe dynosaurus die de muziek als geen ander kent', 'Hij heeft ons toch maar geleerd wat politiek is', 'Goede bedoelingen zijn nu eenmaal niet uit te voeren als je de macht niet weet vast te houden'.

“De avond van zijn herverkiezing in 1988 wisten wij dat hij zijn veren zou verliezen. De onthullingen zouden elkaar opvolgen. Het meest extreme voorbeeld van wat het socialisme is overkomen, is het lot van Pierre Bérégovoy, de jarenlange minister en later premier: een authentieke socialist, arbeiderszoon, vakbondsman, die de lieveling van de beurs en de Banque de France werd. Het geld dat hij aannam om een flat te kopen en de nederlagen van de socialisten maakten hem in eigen ogen moreel onaanvaardbaar. Alleen zo is zijn zelfmoord te begrijpen.

“In '88 voorzagen wij dat de Fransen Mitterrand langzamerhand zouden gaan zien als een man van geld, van clans, van Vichy, en misschien niet van links. In die tweede ambtsperiode wilde hij vooral zijn handen vrij houden, al werd hij gedragen door links. Frankrijk koos in '88 voor hem, niet voor links.”

Zijn er onderwerpen waar ook Le Monde, misschien uit ontzag voor het staatshoofd of Frankrijks aanzien in de wereld, over heeft gezwegen?

Jarreau: “Ik denk dat wij meer spijt moeten hebben dat we niet eerder dieper op zijn oorlogsverleden zijn ingegaan. Het gaat daarbij niet om zijn privé-leven, zoals bij zijn tweede familie die nu bovengronds is gekomen, ook al woonde die jaren op staatskosten. Bij Vichy gaat het om oprechtheid, het vertrouwen dat in hem gesteld kon worden. Hij heeft de waarheid constant gecamoufleerd, de loop van het recht geblokkeerd, vaak met een brutaal cynisme. Het zegt ook iets over Frankrijk dat hij jarenlang 'mijn vriend René Bousquet' aan anderen kon voorstellen, zonder dat iemand zich iets afvroeg. (Bousquet speelde als politiechef van het pro-Duitse Vichy-bewind in oorlogstijd een actieve rol bij de joden-deportaties. Hij werd nooit berecht en in 1993 vermoord, red.) Toen Pierre Péans boek over Mitterrands (oorlogs-)jeugd in 1994 uitkwam, dacht ik: we hebben ons werk niet gedaan.

“Mitterrands belofte van presidentiële openhartigheid komt ook in een apart daglicht te staan als je weet dat zijn ziekte al in 1981 was vastgesteld. Tijdens zijn tweede periode, zeker nadat hij Frankrijks rol in Europa had veilig gesteld, hebben wij levendige interne debatten gevoerd over de vraag of wij moesten schrijven dat hij beter kon weggaan, zowel om sociaal-economische als morele redenen. Twee ambtstermijnen van zeven jaar, dat is voor een moderne democratie sowieso te veel.” Het bewuste commentaar is nooit verschenen.

    • Marc Chavannes