De schuld van Christus, koffie en opium

PETER VAN DER VEER: Modern oriëntalisme

224 blz., Meulenhoff 1995, ƒ 36,90

Prof.dr. Peter van der Veer, 42 jaar, is sinds 1992 hoogleraar godsdienstwetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam. Hij noemt zijn vak een postmoderne discipline, want het bestaat uit een “bric-à-brac van theorieën uit andere disciplines, en feiten uit verschillende culturen”. Onlangs heeft Van der Veer een bundel opstellen laten verschijnen onder de titel Modern Oriëntalisme. Die bundel gaat over oriëntalistische beeldvorming, schrijft hij in zijn voorwoord. Hij legt uit: “Er wordt altijd gesuggereerd dat in 'het Oosten' de religie het gehele leven bepaalt en dat het geseculariseerde Westen de taak heeft om het soms mystieke, soms fanatiek-agressieve Oosten de moderne wereld in de loodsen.”

Altijd? Ik krijg niet de indruk dat er iemand is die de landen van Oost-Azië als iets anders beschouwt dan als formidabele economische concurrenten die op buitengewoon rationele wijze hun commerciële expansie uitvoeren en onze hulp daarbij in het geheel niet nodig hebben. In een van de aardigste hoofdstukken van de bundel vergelijkt Van der Veer V.S. Naipaul met S. Rushdie, vooral aan de hand van hun boeken Het raadsel van de aankomst (1987) en Duivelsverzen (1988). Afgezien van een paar onnauwkeurigheden (Naipaul is niet uit Nederland weggejaagd maar boos vertrokken, omdat de vragen van onder anderen Mineke Schipper hem niet aanstonden, zoals John Jansen van Galen in Het Parool van 10 november 1995 heeft gememoreerd; en het scheldwoord voor oosterling is niet 'whog' maar 'wog') staat hier veel interessants. Van der Veer citeert de indrukwekkende lezing die Naipaul in New York heeft gehouden, waarin hij de “universele beschaving, geboren in Europa, maar nu waarlijk universeel, ontdaan van raciale smetten” noemde als het alternatief voor religieuze tradities. Volgens Van der Veer is Naipaul een van de meest overtuigde aanhangers van de Verlichting, van de moderne rationaliteit en van de vooruitgang. Dat is waar.

Rushdie is radicaler. Voor hem “is er weinig verschil tussen religie en fictie als produkten van de verbeelding”, zoals Van der Veer schrijft. De islam is voor de schrijver van Duivelsverzen “de ideologie van de onderdrukking der vrouwen”. Kortom, Rushdie gaat een directe confrontatie aan met de islam. Waar Rushdie derhalve de religieuze traditie waarin hij is opgevoed, wil hervormen - noteert Van der Veer - bepleit Naipaul aanpassing aan een universele Verlichting, maar hij waagt zich er niet aan de Hindoe-cultuur te hervormen.

Fundamentalisme

Het is, zoals gezegd, een interessante beschouwing. Maar dan de uitsmijter. Na eerst het postmodernisme te hebben getypeerd als “een samengaan van verschillende stijlen in muziek, voeding en kleding”, concludeert Van der Veer dat dit postmodernisme “niets anders dan een verdere vervolmaking van het project van de moderniteit is”. Hij maakt helaas noch hier noch elders in het boek duidelijk wat dit “project van de moderniteit” is. Evenmin is duidelijk hoe het postmodernisme zoals hier gedefinieerd welk project dan ook zou kunnen vervolmaken. Van der Veer bezigt hier grote woorden zonder zeggingskracht.

Dit is niet de enige plaats waar Van der Veer verwarring zaait. Op bladzijde 125 van zijn bundel schrijft hij dat “het de zogenaamde fundamentalisten zijn die zich het sterkst verzetten tegen het moderne project van de natie-staat”. Is dat zo? In Iran, Soedan, Algerije? Op bladzijde 61 en 62 definieert hij fundamentalisme als religieus nationalisme: “Het zogenaamde fundamentalisme is net zo modern als het nationalisme en heeft dezelfde wortels in het project van de moderniteit.” (Weer dat project!) Dit is onbegrijpelijk. In ieder geval heeft het nationalisme van Nasser en van de Ba'ath-partij niets uit te staan met fundamentalisme, totdat Saddam Hussein in de Moeder van alle Oorlogen het nuttig vond de jihad uit te roepen.

Deze laatste passage staat in een hoofdstuk over 'nationalisme, rationalisme en religie'. Van der Veer begint met een exposé over Ernest Gellner, die modernisme typeert met nationalisme, individualisme en secularisme. Dat is een definitie waartegen Van der Veer bezwaar maakt, vooral tegen het aspect van het secularisme. Nu kan men zeer wel bezwaar maken tegen deze definitie, maar hoe definieert Van der Veer de modernisering zelf? Hij zegt het niet. Hij lijkt een verband te leggen tussen modernisering en welvaart. Maar landen zoals Oman zijn welvarend hoewel niet modern, dus veel verder komen wij daar niet mee.

Nationalisme

In ditzelfde hoofdstuk merkt Van der Veer op dat “het antikoloniale nationalisme voor een belangrijk deel een religieus nationalisme” is. Maar in de gehele dekolonisatie van Latijns Amerika speelde de godsdienst geen enkele rol. Ook Jawaharlal Nehru streefde in India een seculiere staat na, zoals Van der Veer zelf erkent. Hetzelfde gold voor Soekarno in Indonesië, die niet alleen de taal maar ook de godsdienst buiten de politiek heeft weten te houden. Ook het Chinese en het Vietnamese nationalisme waren zuiver politiek. Wat Nasser en de Ba'ath betreft, zie hierboven. Inderdaad speelt het katholicisme een grote rol in het Poolse nationalisme, maar Polen ligt niet in Azië. Kortom: weer een krachtig standpunt zonder afdoende basis.

Het voorlaatste hoofdstuk heeft als titel 'De oriëntalist en de dominee'. Hier maakt Van der Veer een vergelijking tussen de oriëntalist Christiaan Snouck Hurgronje en de theoloog en expert in zending Hendrik Kraemer. Die vergelijking is interessant, ook al begint Van der Veer met een enormiteit. Hij meent namelijk dat de onderwerping van de gehele Indonesische archipel aan het Nederlandse gezag in de Atjeh-oorlog en daarna de basis legde voor “het autoritaire regime van militairen, dat nu in Indonesië aan de macht is”. Dit is belachelijk. De onderwerping aan het Nederlandse gezag legde de basis voor de eenheid van de staat Indonesië zoals wij die nu kennen. De basis van Soeharto's Nieuw Orde was de geleide democratie van Soekarno.

Snouck bedreef een ethische zending, waarin sociale ontwikkeling centraal stond. Hij was niet tegen de islam, maar wel tegen een politieke islam. Voor de theoloog Hendrik Kraemer stond de verspreiding van het evangelie voorop. Hij zag het als onjuist maatschappelijke verandering als het doel van de zending te zien. Van der Veers beschouwing over deze tegenstelling is bepaald de moeite waard, vooral waar hij ingaat op de discussie over de toelating van de christelijke zending tot Bali.

Maar dan, aan het einde van het hoofdstuk, schopt Van der Veer zijn emmer weer omver. Hij twijfelt niet aan het feit, schrijft hij, dat het christendom dat in de koloniale periode in Indonesië werd verspreid, niet alleen dat van Christus was, maar ook dat van koffie en opium. Dit is een travestie. Zeker, de koloniale overheid heeft de koffie-cultures gebracht en had een monopolie op opium. Maar de belangen van de zending en die van de overheid waren vaak tegengesteld, zoals Van der Veer zelf op bladzijde 148 van zijn boek terecht aangeeft. Het geeft dus geen pas het christendom in Indonesië gelijk te schakelen met twee manifestaties van het Nederlands gezag, die ook nog betrekkelijk willekeurig zijn gekozen.

Van der Veer schrijft laatdunkend over velen. De Leidse hoogleraar H.L. Wesseling schreef ooit in NRC Handelsblad dat moeilijk valt in te zien dat vreemde heersers slechter zouden zijn dan inheemse. Van der Veer leest hierin nostalgie naar het koloniale verleden. Maar dat volgt niet uit Wesselings vraagstelling. De Leidse arabist J.J.G. Jansen wordt beticht van het verspreiden van “vage beschuldigingen”. Ernest Gellner schrijft “een nogal opgewonden polemiek” (Van der Veer is wel de laatste die deze kritiek mag bezigen). Gellners betoog is “vooral overtuigend voor journalisten als Ben Knapen”, hoofdredacteur van deze krant. En ook schrijver van deze regels, “de VVD-intellectueel” (nou ja!), wordt gehekeld. Alleen heb ik niet Edward Saids Cultuur en Imperialisme gerecenseerd, zoals Van der Veer meent, maar diens Representations of the Intellectual (in de Boekenbijlage van 26 november 1994).

Van der Veer moet weinig hebben van de KNAW, die “almachtige wetenschappelijke bejaardensoos”. Noch van de Nederlandse wetenschapper, die afwijkende meningen “met een fascinerende botheid” van de tafel veegt, zoals hij dat formuleerde in een interview met de Volkskrant (9 december 1995). Nu is het altijd leuk een iconoclast aan het werk te zien, maar die moet dan wel tegen de strijd zijn opgewassen. Van der Veer is dat niet. De artikelen in deze bundel zijn warrig. Zij missen focus en zijn slecht beargumenteerd. Interessante passages worden gepunctueerd door bizarre sweeping statements. Hij raadt Frits Staal aan zijn universele pretenties te laten varen, maar zou zelf als eerste die raad moeten opvolgen.

In het reeds genoemde interview in de Volkskrant betoogde Van der Veer over de academische wereld in Nederland: “Ik bespeur hier een stuitend gebrek aan intellectuele nieuwsgierigheid onder wetenschappers voor wat er in de rest van de wereld gebeurt.”

Misschien mag ik drie onderwerpen suggereren voor zijn eigen nieuwsgierigheid. In de westerse wereld is zeer vaak en zeer terecht spijt betuigd voor de slavenhandel, waarvan de gruwelijke gevolgen tot op de dag van vandaag voelbaar zijn. Hoe zou het komen dat uit de Arabische wereld dergelijke spijtbetuigingen nooit zijn vernomen, hoewel ook daar aan de slavenhandel is deelgenomen? Ten tweede: welke vergelijking valt te trekken tussen de wijze waarop de Chinese koloniserende overheid met de Tibetaanse cultuur omspringt en de manier waarop de Nederlandse kolonisten de Indonesische cultuur hebben bejegend? En welke gevolgtrekkingen kunnen daaraan worden verbonden over de Chinese en de Nederlandse cultuur? En ten slotte: hoe lang zullen gereformeerde jongens die van hun geloof zijn gevallen, doorgaan hun opvoeding van zich af te schrijven?

    • Frits Bolkestein