De dorpspomp van acht uur; Het Journaal: na twintig minuten weer veilig thuis

Het Journaal, de belangrijkste nieuwsbron voor de burger, is een bedreigd instituut. Ooit was de hele natie iedere avond verenigd op het dorpsplein van de NOS. Nu verdwalen steeds meer kijkers in het sprookjesbos van de pretprogramma's. Portret van een huisvriend, thans met sterallures.

Het Acht Uur Journaal. Met Joop van Zijl. Nederland is even entre nous. Terwijl de trompetten aanzwellen en de pauken slaan, kondigt de nieuwslezer alvast de headlines aan. (Gladheid zet door in de ochtenduren, Oudejaar door slecht weer rustig verlopen, Kritiek op autoritair optreden Arafat.) Het is 1 januari. De volgende dag demonstreert een middelbaar echtpaar in de uitzending welke looptechniek men dient aan te wenden bij gladheid. En ruim twee-eneenhalf miljoen Nederlanders leren dat zij niet eerst de hak en dan de teen moeten neerzetten, maar zo - de volle voet in één keer. Een gevoel van verbondenheid golft door de huiskamers.

Het NOS Journaal bestaat veertig jaar. “Een instituut, zó stipt en stellig dat het uit het avondleven van de kijker niet meer weg te denken is”, zo meende de jury die in 1961 het Journaal bekroonde met de Televisieprijs. Het Journaal was de eerste groeistuipen nog niet te boven - het bordje 'wegens mist (op Schiphol; red) geen buitenlands nieuws' lag altijd binnen handbereik - of het bezat al de allure van een nationaal instituut. Voormalig hoofdredacteur Ed van Westerloo (hoofdredacteur van 1976 tot 1985) zei ooit over die eerste jaren: “Het kale feit dat het Journaal er was en dat het kind geluid maakte en nog bewoog ook, was al voldoende voor opgetogenheid en tevredenheid”. Iedere dag opnieuw - en zeker als er zich een 'grote gebeurtenis' als de watersnood voordoet - lijkt een groot deel van de Nederlandse bevolking de behoefte te voelen om samen op hetzelfde tijdstip naar het NOS-Journaal te kijken. Bij ontstentenis van een dominee of pastoor is het de nieuwslezer die harde woorden spreekt maar tegelijkertijd geruststelt. In de top tien van best bekeken programma's van het afgelopen jaar stond het Journaal als enige tussen de voetbalwedstrijden. Tweederde van de Journaalkijkers schakelt altijd over. De televisie mag de wereld dan misschien niet hebben gereduceerd tot een 'global village', zoals de Canadese mediaprofeet Marshall McLuhan begin jaren zestig nog opperde, het Journaal lijkt er keer op keer in te slagen om de Nederlanders bijeen te brengen op een dorpsplein waar iedereen zich verbonden voelt simpelweg door in de buurt te zijn. Met de nieuwslezer als dorpsoudste die de burgers houvast en betrokkenheid biedt. Hij neemt ze mee op zijn reis door de wereld en brengt ze na twintig minuten weer veilig thuis, bij de matige neerslag van het weerbericht. Toen in 1987 bleek dat nieuwslezer Fred Emmer ook heel bedreven was in het schrijven van pornografische verhalen was het nationale gemoed dan ook oprecht geschokt.

Losgebroken leeuwen

Veertig jaar geleden was het dorpsplein nog betrekkelijk leeg. Er stonden 35.000 televisietoestellen in Nederland, toen op 5 januari 1956 het eerste NTS-Journaal (in 1969 het NOS-Journaal) de lucht in ging. Filmbeelden van een schaakwedstrijd tussen Max Euwe en Jan-Hein Donner, de oprichting van het Westduitse leger en een staking van vissers in IJmuiden. Het 'instituut zo stipt en stellig' was in die tijd - met veel aandacht voor bloemencorso's, modeshows en Koningshuis - niet veel anders dan een variant van het vertrouwde bioscoopjournaal van Polygoon. Niet zonder trots meldt het jaarverslag over 1956 van de Nederlandse Televisie Stichting dat filmbeelden van buitenlandse gebeurtenissen vaak 'al één of twee dagen later' in het NTS-Journaal te zien waren. Ze moesten immers per vliegtuig worden aangevoerd.

Maar het Journaal had nog een handicap. Het mocht slechts in beperkte mate nieuws brengen. Jarenlang was het Journaal de dupe van het omroepbestel. De bazen van de verzuilde omroepen waren het er - vijf jaar na de introductie van televisie in Nederland - over eens geworden dat een tv-journaal inderdaad het beste door één instantie kon worden vervaardigd. Maar te allen tijde moest voorkomen worden dat deze 'gezamenlijkheid' ten koste ging van de eigen zuil. Onder geen beding mocht het Journaal de actualiteitenrubrieken ondermijnen. Dus zag een journaalcommissie er angstvallig op toe dat het uitsluitend de 'kale nieuwsfeiten' bracht.

Intussen claimden de actualiteitenrubrieken de rest van de werkelijkheid. Pas in de jaren zeventig kwam aan dit protectionisme een einde. In 1974 werd er - in de woorden van de latere hoofdredacteur Ed van Westerloo - “een omroeppolitieke deal” gesloten. De NOS kreeg op het nieuwsvlak meer armslag, op voorwaarde dat zij op het terrein van de sport zou inbinden. Het NOS-Journaal mocht voortaan, volgens een officiële richtlijn, “de feiten die zich voordoen in de actualiteit in zodanige samenhang met andere feitelijkheden presenteren dat ze door het publiek kunnen worden begrepen”. Het ging erom dat het journaal “beter toegankelijk” zou worden “voor een groot publiek.” Met de komst van Ed van Westerloo verdwenen de meeste modeshows en losgebroken leeuwen uit beeld en werd het aantal buitenlandse correspondenten en binnenlandse verslaggevers aanzienlijk uitgebreid. Van Westerloo mocht als eerste hoofdredacteur de achtergronden belichten en het nieuws 'duiden'. Hij maakte aan een aantal ingesleten “journaalrituelen” een eind - “want de jaren zestig waren aan het Journaal voorbijgegaan”. Van Westerloo: “Zo bestond er de dwang om met iedere scheet uit Den Haag het journaal te openen, want dat waren toch de mensen die ons land regeerden.” Fred Emmer herinnert zich uit die tijd: “Er was een periode dat je recht in de camera zei: 'Over de gevaren van een Derde Wereldoorlog spreken wij met minister Luns van Buitenlandse Zaken.' En dan vroeg ik aan Luns: “Zijn die gevaren reëel?” Waarop deze antwoordde: “Het is minister mr. J.M.A.H. Luns.” Emmer moest zich dan verontschuldigen: “Neem me niet kwalijk excellentie, we doen het een keer over”.

Nieuws maken

Maar ruimte voor 'duiding' of niet - de Programmaraad, die namens de omroepen toezicht hield, bleef lastig. Als het Journaal eens flink had uitgepakt en de actualiteitenrubrieken zich weer gedupeerd voelden, dan kwam de programmaraad opeens met het voorstel dat journaalonderwerpen voortaan niet langer dan een minuut mochten duren. “Eind jaren zeventig heb ik dat soort bijeenkomsten met droge ogen bijgewoond”, zegt Van Westerloo. Maar terwijl hij braaf de vergaderingen bezocht, liet hij de redactie intussen haar gang gaan. Ook al sprong bijvoorbeeld in 1976 de redactie van AVRO's Televizier Magazine uit haar vel toen minister Van Agt in het Journaal acht minuten het woord voerde over de arrestatie van oorlogsmisdadiger Menten. Begin jaren tachtig was het volgens Van Westerloo wel afgelopen met de druk vanuit de verzuilde omroepen. Maar zijn opvolger Peter Brusse (hoofdredacteur van 1985 tot 1987) kreeg naar eigen zeggen bij zijn aantreden nog op het hart gedrukt “dat het Journaal nieuws mag brengen, maar geen nieuws mag maken”. En de huidige hoofdredacteur Gerard van der Wulp (sinds 1987) drukt het als volgt uit: “Er zijn geen afspraken met de actualiteitenrubrieken, maar ik realiseer me terdege dat het Journaal deel uitmaakt van de publieke omroep”.

Kritiek is er altijd geweest op de “vriendelijk knetterende huisvriend”, zoals Suzanne Piët het Journaal in 1974 in NRC Handelsblad noemde. In sommige kringen heeft het afgeven op het Journaal bijna de status van een gezelschapsspel gekregen, bij voorkeur bedreven op familiefeestjes en in de kolommen van kranten. Zo klaagde op 2 maart 1984 de ambassadeur van Nederland in Lima in deze krant op persoonlijke titel: “De opzet en de manier van presenteren getuigen van provincialisme, kneuterigheid, gebrek aan prioriteitsstellingen en objectiviteit.” Bovendien zou het Journaal doen “alsof de Nederlandse natie uit louter imbecielen bestaat die men vooral niet moet lastigvallen met moeilijke woorden en lange zinnen”. Dat de nieuwslezers zich bovendien bleken te bemoeien met de nieuwsselectie bracht hem bijkans tot wanhoop: “We vragen onze postbode toch ook niet om voor ons de brieven te selecteren in 'belangrijk', 'routine', 'kan wachten tot het weekeinde'?”

Aandachtscurve

De kritiek op het NOS-Journaal heeft eigenlijk altijd aard en toon gehad van die van de ambassadeur in Lima. Maar hoofdredacteur Van der Wulp wappert in zijn werkkamer op de vierde verdieping van het videocentrum in Hilversum met het meest recente rapport van Kijk- en Luisteronderzoek. 'Vertrouwelijk' staat erop, want de commerciëlen kijken mee, zegt Van der Wulp. Maar hij is niet te beroerd om er wat uit voor te lezen: Voor veertig procent van de Nederlanders is het NOS-Journaal de belangrijkste nieuwsbron (16 procent noemt het RTL-nieuws, 23 procent de krant). Bovendien beschouwt 53 procent het Journaal als de betrouwbaarste nieuwsbron (12 procent vindt het RTL-Nieuws de betrouwbaarste en 15 procent de krant). Eerder dan de krantenlezer heeft de televisiekijker nu eenmaal het idee hoogstpersoonlijk getuige te zijn van de wereldgeschiedenis.

Van 'betweters' trekt Van der Wulp zich over het algemeen weinig aan. Die moeten eens over hun eigen schutting heen kijken, meent hij. Ze hebben geen idee van wat er zich in de samenleving afspeelt, geen benul van de groeiende onverschilligheid. Dat kijkers hem met enige regelmaat vragen 'of het niet wat minder kan met dat Joegoslavië'. Die zeggen: 'Doe mij maar weer Bosnië als het vrede is'. Voor hen brengt het Journaal 's zomers bij warm weer een bejaarde dame die omstandig van de hoge duikplank springt. Want Van der Wulp moet denken om zijn “aandachtscurve”. Hij moet iedereen erbij houden. En dat is uitermate moeilijk, zegt Van der Wulp. “Voor een laaggeschoolde niet-krantenlezer moet je eigenlijk iedere keer weer opnieuw bij Adam en Eva beginnen, maar als je dat doet beledig je de NRC-lezer die alleen de beelden wil zien bij wat hij ongeveer al weet.”

Daarbij komt nog, zegt Van der Wulp, en hij slaat op de Volkskrant die voor hem ligt, weet je hoe lang het duurt als je deze voorpagina helemaal zou voorlezen? Drie kwartier, minstens. Hij bedoelt maar. Twintig minuten bieden nu eenmaal weinig ruimte voor diepgang. Bovendien heeft hij beelden nodig. Het Journaal kan de nieuwsuitzending niet openen met een neergestort vrachtvliegtuig op het marktplein van de Zaïrese hoofdstad Kinshasa als daar geen videobeelden van zijn. Dan wordt het een kort onderwerp van dertig seconden met een landkaartje. Als je dan nog kijkt naar het aantal redacteuren dat bij een dagblad werkt (NRC Handelsblad heeft er ongeveer 150), dan moet het Journaal het met minder dan tweederde doen, voor alle zestien bulletins per dag. “Voor specialisten heeft het NOS-Journaal geen budget”, zegt Van der Wulp. Het Journaal heeft alleen een economie-redactie, een Haagse redactie en een buitenland-redactie, voor de rest zijn het algemeen verslaggevers die het nieuws moeten wegen. De redacteur die zich de ene dag bezighoudt met de gladheid, moet de volgende dag opeens vertrouwd zijn met het basisonderwijs. En dan gaat het wel eens mis. Onderzoeksgegevens van drie jaar oud worden opgewarmd tot 'nieuws'. Of nog erger. Het was in april 1990. Het Journaal opende met een vondst van de Tilburgse hoogleraar Buck. Hij zou de sleutel hebben gevonden tot de ontwikkeling van een aids-vaccin en het NOS-Journaal begon alvast met persoonsverheerlijking. Later bleek dat de professor en zijn medewerkers grove methodologische fouten hadden gemaakt. De vondst was een windei en heel wetenschappelijk en journalistiek Nederland viel over het NOS-Journaal heen. Meer dan kranten en tijdschriften bepaalt het Journaal nu eenmaal 'het gesprek van de dag'. Zo veroorzaakte het Journaal in januari 1994 'de AOW-rel' die voor groot tumult bij het CDA zou zorgen. Het nieuws was al wel bekend, maar erg ondergeschikt gepresenteerd. NRC Handelsblad meldde in de laatste alinea van een voorpaginabericht dat het CDA extra wilde bezuinigen door het bevriezen van uitkeringen. Niemand schrok op. Sprak niet iedereen al jaren over het bevriezen van uitkeringen? Pas toen Journaal-verslaggeefster Maria Henneman vier dagen later de AOW eruit lichtte en het journaal om reacties van de ouderenbonden vroeg, kreeg het onderwerp een politieke lading. De eerder genoemde laatste alinea werd de volgende dag knarsetandend alsnog gepromoveerd tot opening van de krant. En van alle andere dagbladen. Brinkman kon aan zijn moeizame kalmeringsronde langs boze bejaarden en ouderenbonden beginnen.

Sterren

De commerciëlen waren in 1990 gekomen. RTL 4 klemde in maart 1990 haar nieuwsbulletin van half acht strategisch in tussen het populaire spelprogramma Rad van Fortuin en de liefdesverwikkelingen in Goede Tijden Slechte Tijden. Het NOS-journaal had meer moeite om het laag-opgeleide deel van haar kijkers in de tang te houden. “Zij glipten weg, nu er geen dwang meer was om naar het Journaal te kijken. Lange tijd was onze nieuwsrubriek het enige Nederlandstalige programma dat ze op dat tijdstip konden ontvangen”, zegt Van der Wulp. Het werd wat rustiger op het dorpsplein en dat maakte het Journaal ongerust. Joop van Zijl nam plaats achter een nieuw en futuristisch bureau, met op de achtergrond de aardbol in blauw en groen - alsof hij vanuit een ruimteschip het wereldnieuws voorleest. Erwin Krol bracht het weerbericht voortaan pas na de reclameboodschappen. En verslaggevers als Pauline Broekema, Betty Lamers en Harmen Roeland - voor de kijker hooguit vage bekenden - verdwenen voor een groot deel van het scherm. Nederland heeft namelijk behoefte aan sterren. “Want als je in een zee van netten herkenbaar wil blijven”, zegt Van der Wulp, “Dan zul je dat via de personen in beeld moeten doen”. Dus werden Maria Henneman en Gerard Arninkhof opgewaardeerd van verslaggever-presentator naar presentator-op-lokatie. Als nu in Zwitserland zestien leden van de Sekte van de Zonnetempel zichzelf doden, dan vliegt Gerard Arninkhof onmiddellijk over om on-the-spot - met als achtergronddecor een persconferentie - zijn tekst op te zeggen. In Vrij Nederland klaagde een anonieme Journaalverslaggever: “De constructie van twee rondreizende presentatoren die als een soort vliegende keep opduiken bij elke gebeurtenis van enig belang kan een averechts effect hebben. De kijker gaat al gauw denken: 'Goh, heeft-ie daar ook al verstand van?”'

Speciale aandacht hadden de eerste nieuwslezers niet nodig. Zij waren automatisch Bekende Nederlanders omdat ze nu eenmaal 'die meneer van de televisie waren', die eenvoudig niet weg te zappen viel. Ed Lautenschlager (nieuwslezer van 1962 tot 1972) zei ooit: “Alles vroegen ze je: waar je kaneel kon kopen, of je een goede tandarts wist. Want je kwam 'zo vertrouwenwekkend' over”. De nieuwslezer als troostrijke vaderfiguur. “Wat er in de wereld ook gebeurt,” schreef de toenmalige televisiekriticus Jan Bank in 1972, “het komt tot ons door Frits Thors en wordt dan tot herkenbare, overzichtelijke en invoelbare proporties teruggebracht.” Maar vandaag de dag lopen verslaggever en presentator het risico kopje onder te gaan in de tientallen kanalen. Alleen zijn persoonlijkheid kan hem volgens hoofdredacteur Van der Wulp dan nog redden.

Ook interactieve televisie biedt wellicht uitkomst. Binnen vijf tot tien jaar, zo schat Van der Wulp, kan de Journaal-kijker op een speciaal net terecht voor de nieuwsuitzendingen. Op elk moment van de dag. Het Journaal wordt dan - net als teletekst - voortdurend tussentijds 'ververst'. Bovendien is de kijker niet langer gedwongen alle items uit te zitten. Net als bij een krant kan hij dan 'even koppen snellen' en met behulp van de afstandsbediening van onderwerp naar onderwerp springen.

Het NOS Journaal wordt ook nog actueler, zegt Van der Wulp. “Want nog sneller.” Straks komen de beelden digitaal de computer binnen en kan een verslaggever ter plekke - zonder cameraploeg of geluidsman - een onderwerp monteren en uitzenden. “Zijn volledige apparatuur past dan in een attaché-koffertje.” Dat betekent meer extra uitzendingen bij grote gebeurtenissen, meer live-beelden en - misschien - minder journalistieke toetsing vooraf door de eindredactie. “We moeten nog uitvinden hoe we daarmee moeten omgaan”, zegt Van der Wulp.

Sprookjes

De hoofdredacteur maakt zich zorgen. Al jaren. Bij elkaar opgeteld kijken er ruim drie-eneenhalf miljoen mensen naar een van de uitzendingen van het Journaal. In 1987 waren dat er nog vijfeneneenhalf miljoen. Over de mensen die zijn 'afgedwaald' zei Van der Wulp eerder in deze krant: “Die mensen leven in een wereld van sprookjes. Die zappen van quiz naar soap. Die lezen geen krant meer, kijken niet meer naar het nieuws en denken dat de wereld bestaat uit Henny Huisman en Ron Brandsteder.” Omdat het Nederlandstalig aanbod op prime time overweldigend is, heeft het NOS-Journaal de afgelopen jaren het aantal bulletins sterk uitgebreid. Tegenwoordig worden er op doordeweekse dagen twaalf uitzendingen verzorgd. Dan kunnen de kijkers èn Goede Tijden Slechte Tijden zien en toch een Journaal meepikken.

Maar wat schieten 'de sprookjesbewoners' van Van der Wulp ermee op àls ze naar het Journaal kijken? Is kijken naar het NOS-Journaal meer dan alleen een avondritueel? Draagt het bij aan de politieke en economische kennis van de kijker? Volgens J. Kleinnijenhuis, docent communicatiewetenschap aan de Vrije Universiteit van Amsterdam, kunnen we daarover kort zijn: “Geen enkel onderzoek toont aan dat het Journaal iets toevoegt aan de kennis die een kijker heeft verworven op grond zijn opleiding en het lezen van kranten.” Een wie zonder politieke voorkennis kijkt, steekt volgens Kleinnijenhuis zo mogelijk nog minder op van het nieuws. Voor hen is het Journaal “een soort behang”.

In zijn artikel 'Het nieuwsaanbod van NOS en RTL 4 en wat kijkers ervan leren' geeft Kleinnijenhuis een voorbeeld uit het Journaal van 19 februari 1991: De EG-ministers hebben zojuist verdeeld gereageerd op de resolute afwijzing van de Amerikaanse president Bush op een voorstel van Gorbatsjov om een wapenstilstand in de Golfoorlog te bereiken. Het Journaal toont beelden van wapperende EG-vlaggen en een monumentale trap met poserende EG-ministers. Wat herkent de sprookjesbewoner? Volgens Kleinnijenhuis doen deze beelden de kijker zonder voorkennis waarschijnlijk nog het meest denken aan “vlaggetjes op Unie-kaas, of aan de monumentale trap van het stadhuis waarop prachtige trouwfoto's worden gemaakt”.

Bronnen: Live! Macht, missers en meningen van de nieuwsmakers op tv, Charles Groenhuijsen en Ad van Liempt. 'Nieuws, actualiteiten en informatie op televisie', Henri Beunders (In: Omroep in Nederland).

    • Monique Snoeijen
    • Alex de Ronde