Zagreb en Belgrado trachten de strijdbijl te begraven

Langzaam, heel langzaam lijken Kroatië en Joegoslavië (Servië en Montenegro) op weg naar een normalisatie van hun betrekkingen. En even langzaam lijkt de internationale gemeenschap de oplossing te naderen van een van de problemen die na 'Dayton' zijn blijven liggen: de vraag hoe - concreet: met wat voor troepen - de broze vrede in Oost-Slavonië moet worden gegarandeerd.

Woensdag werd in de zaak van de normalisering van de Kroatisch-Servische betrekkingen een nieuwe, kleine doorbraak bereikt: de Kroatische minister van buitenlandse zaken, Mate Granic, bezocht Belgrado voor overleg met de Servische president Milosevic en de Joegoslavische minister Milutinovic.

Tastbare resultaten leverde dat bezoek niet op, maar dat het überhaupt plaatsvond was al een resultaat: voor het eerst sinds Kroatië zich midden 1991 onafhankelijk verklaarde - en voor het eerst sinds de oorlog die vervolgens uitbrak - kwam een Kroatische minister van buitenlandse zaken officieel op bezoek in Belgrado.

Een normalisering van de betrekkingen tussen Zagreb en Belgrado leek binnen handbereik te liggen toen in november in Dayton overeenstemming werd bereikt over een vredesakkoord voor Bosnië. Aan de vooravond van de ondertekening van het vredesakkoord in Parijs, midden december, leek de wederzijdse diplomatieke erkenning zelfs nog maar een kwestie van uren. Maar drie problemen stonden die normalisering toch nog in de weg.

Het eerste is de kwestie-Prevlaka. Prevlaka is een tot Kroatië behorend schiereiland in de Adriatische zee, ten zuiden van Dubrovnik. Het controleert de toegang tot de baai van Kotor (Montenegro), waar Joegoslavië zijn enige marinebasis heeft.

Volgens de Serviërs werd in Dayton tussen Kroatië, Bosnië en Joegoslavië afgesproken dat Kroatië Prevlaka aan Bosnië zou afstaan, en wel aan de Bosnische Serviërs. In ruil zouden dezen het achterland van Dubrovnik, even over de vlak bij die havenstad gelegen Kroatisch-Bosnische grens, ontruimen. Vanuit dat gebied hebben de Bosnische Serviërs de afgelopen jaren vaak artilleriebeschietingen op Dubrovnik uitgevoerd.

Door de gebiedsruil zouden de Bosnische Serviërs in Prevlaka de uitgang naar zee hebben die ze altijd zo graag hebben gewild, zou Joegoslavië de marinebasis in Kotor beveiligd weten en zouden de inwoners van Dubrovnik zich veilig kunnen voelen, omdat de Bosnische Serviërs zich uit de bergen achter de stad zouden terugtrekken.

Toen de details over deze geheime afspraak in Dayton uitlekten, ontstond in Kroatië echter een golf van verzet. Het afstaan van Kroatisch grondgebied (Prevlaka) - en dan nog wel aan de Bosnische Serviërs - was onaanvaardbaar voor veel Kroaten. Er volgden nijdige demonstraties waarbij de Kroatische president Tudjman voor verrader werd uitgemaakt. Tudjman, duidelijk geschrokken, trok de in Dayton gedane beloften in en ontkende zelfs ze ooit te hebben gedaan. De deal was van de baan. “Er zijn geen wettelijke en geen praktische mogelijkheden voor een akkoord met Joegoslavië”, zo heette het plotseling op 15 december. Belgrado “biedt land aan waarop het geen recht heeft [het achterland van Dubrovnik, PM], omdat het deel uitmaakt van Bosnië. Het kan derhalve geen onderwerp van onderhandelingen zijn.”

Het tweede nog resterende probleem is dat van de terugkeer van de 160.000 Kroatische Serviërs die vorig jaar uit de in Kroatië gelegen 'Servische Republiek Krajina' werden verdreven toen de Kroaten dat in twee bliksemoffensieven veroverden. Hoewel de meeste van de vluchtelingen helemaal niet terug willen omdat ze niet onder Kroatisch gezag willen leven, en hoewel velen van hen in het kader van een sluipende 'etnische zuivering' in Joegoslavië zelf ten koste van de daar wonende Albanezen, Hongaren en Kroaten een nieuw bestaan opbouwen, eist Joegoslavië (en eist ook de internationale gemeenschap) van Kroatië dat het juridisch de terugkeer mogelijk maakt.

In eerste instantie had Kroatië die terugkeer onmogelijk gemaakt - alle verzekeringen van het tegendeel ten spijt - door de Servische minderheid in Kroatië haar wettelijk gegarandeerde autonomie te ontnemen (immers: wie vlucht heeft geen autonomie meer nodig) en door te bepalen dat het in Kroatië achtergelaten bezit van die vluchtelingen, voor zover het niet binnen 90 dagen zou worden opgeëist, de Kroatische staat zou toevallen. Met andere woorden: de vluchtelingen - of ze nu wel of niet terug willen - zijn hun huis kwijt en hèbben niets meer om naar terug te keren. Onder druk van de Veiligheidsraad heeft Kroatië inmiddels beloofd die wettelijke bepalingen ongedaan te maken, maar of dat tijdelijk dan wel definitief is, is nog niet duidelijk.

Het derde probleem dat een normalisatie van de Kroatisch-Joegoslavische relaties in de weg staat is de kwestie-Oost-Slavonië, het laatste stukje van de 'Servische Republiek Krajina' dat zich nog in handen van de Kroatische Serviërs bevindt. Op 12 november werd een akkoord bereikt over de toekomst van dit strategisch en economisch hoogst belangrijke reepje land langs de grens tussen Kroatië en Servië. Het komt na één, maximaal twee jaar weer onder Kroatisch gezag. Maar één kwestie is nog steeds niet opgelost, en wel de vraag wat voor troepen in de interim-periode moeten toezien op de vrede.

De Kroatische Serviërs wilden dat toezicht in handen leggen van de VN-troepen die er nu zijn, zestienhonderd Belgen en Russen. De Kroaten voelden daar niets voor: zij eisten dat de NAVO-vredesmacht in Bosnië, IFOR, troepen naar Oost-Slavonië zou sturen - een voorstel waar de Serviërs op hun beurt niets van wilden weten, want zij denken beter met VN-soldaten dan met NAVO-soldaten te kunnen opschieten.

Dat probleem werd nog verscherpt door de onwil bij de internationale gemeenschap om troepen voor Oost-Slavonië te leveren. De Belgen wilden weg, de Russen stonden niet te dringen om er te blijven, en geen enkel land werd bereid gevonden troepen voor Oost-Slavonië te leveren, of ze nu onder VN- of onder NAVO-vlag zouden opereren. Oost-Slavonië wordt gezien als een kruitvat. De Kroatische president Tudjman heeft tè vaak geroepen dat Oost-Slavonië gewapenderhand zal worden veroverd om troepenleveranciers gerust te stellen omtrent de kans dat al hun militairen ongedeerd terugkomen.

Voor dit probleem lijkt een compromis in de maak. De Veiligheidsraad praat morgen over een plan, in Oost-Slavonië een vredesmacht van maximaal vijfduizend VN-blauwhelmen te legeren, die evenwel desgewenst over luchtsteun van de NAVO kan beschikken. Wellicht kunnen met die formule de bezwaren van de Kroaten en de Kroatische Serviërs worden ondervangen. België heeft inmiddels beloofd zijn blauwhelmen niet terug te trekken, maar integendeel juist te versterken en inmiddels lijkt ook de onwil bij andere troepenleveranciers af te nemen. Argentinië heeft zich woensdag bereid verklaard troepen voor Oost-Slavonië te leveren, India, Indonesië, Pakistan, Ierland, Slowakije en de Oekraïne overwegen blauwhelmen te sturen.

Andere problemen tussen Zagreb en Belgrado die deze week door ministers Granic en Milutinovic werden besproken betreffen het herstel van het weg-, spoor-, lucht- en postverkeer tussen beide landen.

De ministers bereikten geen doorbraken. Maar beiden lieten zich positief uit over de sfeer van het overleg (“open en constructief”, zei Granic) en optimistisch over de toekomst: “We zijn begonnen onze bilaterale relaties op bevredigende manier te regelen”, aldus Milutinovic.

Algemeen heerst nu de verwachting dat de betrekkingen tussen Zagreb en Belgrado - doorslaggevend voor de vraag of vrede op de Balkan wordt hersteld - binnen enkele maanden worden genormaliseerd. Dat is langzamer dan een maand geleden in de euforie na 'Dayton' en 'Parijs' werd verwacht. Maar wellicht wordt die normalisering dan wel beter onderbouwd.

    • Peter Michielsen