Yin-ogen

Amy Tan: De honderd geheime zintuigen. Vert. Peter Abelsen. UItg. Bert Bakker, 352 blz. ƒ 39,90. The Hundred Secret Senses. Uitg. Putnam, geb. ƒ 38,80

'Amerika heeft niet zo veel vrijheid als je denkt, hoor. Er is zóveel verboden, dat geloof je gewoon niet. Al vind ik sommige regels wel goed. Je mag nergens roken, behalve in de gevangenis. Je mag geen schillen op straat gooien, of er je baby laten poepen. Maar sommige regels zijn belachelijk. Zo mag je niet praten in de bioscoop! En vet eten is ook verboden...'. Zo hoort de Amerikaanse fotografe Olivia haar Chinese halfzuster Kwan, die veel later dan zij naar Amerika kwam, vertellen aan het lijk van haar zojuist overleden stiefmoeder Grote Ma. Kwan heeft yin-ogen, wat wil zeggen dat ze via haar geheime zintuigen contact kan hebben met de geesten van overledenen. Olivia, vertegenwoordigster van een generatie halfamerikanen die zich door hun afkomst Amerikaanser voelen dan de president, gelooft niets van al dat Chinese bijgeloof, maar moet er aan het eind van de roman toch aan geloven.

Opnieuw gebruikt Amy Tan, in haar derde roman na The Joy Luck Club en The Kitchen God's Wife, de weelderige tegenstellingen tussen Chinezen en Amerikanen, tussen achterlijk verleden en vooruitstrevend heden, communistische idiotieën en kapitalistische uitwassen. Nieuw is het element van spiritisme, dat, in elk geval voor een rationalistische Westerse lezer, bijzonder komische kanten heeft. Mogelijk vinden anderen dat Tan hier de yin-wereld verloochent en gemakkelijk belachelijk maakt.

Een deel van het boek speelt in de vorige eeuw, in een vorig en spectaculair leven van de zusjes, toen het Mantsjoe-rijk geteisterd werd door bloedige opstanden, opiumhandel en zendelingen. Kwan vertoeft vertellend nu eens in de ene wereld, dan weer in de andere, daarbij de lezer gewillig meevoerend. Olivia krijgt ook nog eens te maken met de geest van de jonggestorven geliefde die haar man en bijna ex-man Simon met zich meebrengt, of beter gezegd, die Olivia in haar overspannen jaloezie over zichzelf afroept. Diep in China, voor een sfeerreportage over kookkunst, weet Olivia zich uiteindelijk te verzoenen met echte of vermeende vijanden, haar man, haar gekke zus, met zichzelf, en met onzichtbare krachten.

Deze roman is geschreven voor het (welverdiende) succes, al zal hij niet de verrassende of emanciperende werking hebben van The Joy Luck Club in 1989, waarmee een hele golf aan tweede generatie immigranten-literatuur werd losgewoeld. De vertaling is behalve snel ook goed gemaakt, wat in tijden van belabberde vertalingen (neem bijvoorbeeld Michael Cunninghams Bloedverwanten) vermelding verdient. Een enkele spelfout en het consequente gebruik van 'euvele' voor evil zijn de enige spijkers op laag water die te vinden zijn. Die kunnen soms ook nog geweten worden aan de zetduivel, waarin het na dit boek gemakkelijk geloven is.