Wrevel in Kamer leidde tot reorganisatie van het OM

AMSTERDAM, 12 JAN. De reorganisatie van het openbaar ministerie, die opeens zo'n grote rol speelt in de affaire-Van Randwijck, is het gevolg van klimmende wrevel in de Tweede Kamer over de zogeheten vormfouten. Deze resulteerde eind 1993 bij de begrotingsbehandeling van justitie in de roep om een onderzoek. Een interne stuurgroep - onder voorzitterschap van de inmiddels afgetreden Amsterdamse procureur-generaal Van Randwijck - had zelf ook al geconcludeerd dat het roer om moest. Het is achteraf gezien niet zonder enige ironie dat de stuurgroep ingrijpende personele maatregelen niet uitsloot.

De Tweede Kamer wilde een extern onderzoek om de druk op de ketel houden. Het gevolg was een commissie onder leiding van de voorzitter van de Wetenschappelijke raad voor het regeringsbeleid, J. Donner, die in juni 1994 een ingrijpend rapport uitbracht. De belangrijkste conclusie was dat het OM een “centrale leiding” diende te krijgen. Daarbij werd gedacht aan een apart college van bestuur van drie à vier personen waarvan de voorzitter een beslissende stem heeft. Dit hoeven geen leden van het OM en zelfs geen juristen te zijn.

Deze aanbeveling betekende een forse trendbreuk. Thans berust de leiding van het OM bij de vijf procureurs-generaal bij de gerechtshoven, de PG's. Ieder van hen is verantwoordelijk voor zijn eigen ressort en heeft daarnaast een aantal landelijke portefeuilles, zoals organisatie en beheer (de oude portefeuille van Van Randwijck), milieuzaken, georganiseerde criminaliteit en politie-aangelegenheden. Gezien de traditionele cultuur van “non-interventie” bij de PG's maakt deze combinatie van functies de slagvaardigheid van het college als geheel tot een lastige opdracht. De binding aan het gerechtshof wordt echter beschouwd als essentieel voor de “magistratelijke” (niet-politieke) rol van de leden van het openbaar ministerie.

Minister Sorgdrager, zelf afkomstig uit het OM, heeft het belang van deze magistratelijke rol met zoveel woorden onderschreven, maar vond tegelijk dat een apart bestuurscollege nodig is. Volgens het plan van aanpak dat ze in mei uitbracht, zal het college drie algemene portefeuilles kennen: rechtshandhaving, beheer (personeel, financiën, automatisering) en organisatie en ontwikkeling. In het nu uitgelekte 'oprotgesprek' met Van Randwijck in april was overigens nog sprake van een college van vier à vijf leden, zij het niet meer alleen klassieke PG's.

Ruim voordat Sorgdrager haar officiële standpunt presenteerde, nam de bewindsvrouw al wel een voorschot op de nieuwe topstructuur door haar partijgenoot mr. A. Docters van Leeuwen te benoemen in de vacature van procureur-generaal in Den Haag. Het was de vacature die zij zelf bij haar benoeming in het kabinet had achtergelaten. De nieuwe PG had geen strafrechtelijke ervaring (hij is voormalig hoofd van de Binnenlandse Veiligheidsdienst) en werd meteen voorzitter van de PG-vergadering, ook al kent de wet deze functie niet. Minister Sorgdrager vond echter dat de aanwijzing bij ministerieel besluit kon geschieden. Voor de formele taakstelling is wel een wetswijziging nodig, maar dat gat kon volgens de minister gevuld worden door “mandatering”; namelijk dat de andere PG's akkoord gingen met de centrale rol van de nieuwe voorzitter.

De Tweede Kamer heeft de lijn Donner/Sorgdrager verwelkomd. Toch zijn er ook twijfels geuit, juist over de dominerende voorzitter. Wordt dit niet een soort 'onderminister'? Voor de parlementaire enquêtecommissie-Van Traa onderstreepte Docters van Leeuwen dat de wens naar “het einde van de vrijblijvendheid” zoals belichaamd in de nieuwe structuur uit het OM zelf komt en niet van boven wordt opgelegd (“gesuperponeerd”). Een recente enquête van de Vereniging voor rechtspraak laat andere geluiden horen; met name aan de basis (maar zeker niet daar alleen) klaagt het OM dat er onvoldoende rekening wordt gehouden zijn belangen.

    • F. Kuitenbrouwer