Wiegend en betoverend en alle verzet brekend; Goethes Werther als opera

In het lijden van de jonge Werther is Lotte niet verliefd op Werther. In de zoetgevooisde opera die de Franse componist Jules Massenet in 1887 schreef is zij dat wel. “De librettisten van Massenet hebben niet geloofd in de onwilligheid van Lotte. Het ìs ook moeilijk om haar te geloven, als ze overdenkt hoe dierbaar Werther haar is geworden.” De opera gaat zondag in het Muziektheater in Amsterdam in première.

Jules Massenet: Werther. Door de Nationale Opera. Regie Willy Decker, muzikale leiding Edo de Waart. Première 14 jan. in Het Muziektheater in Amsterdam. T/m 29 jan. Inl. en bespr. 020-6255455. Werther wordt op 4 febr. door de NPS uitgezonden op Ned. 3. De citaten uit Het lijden van de jonge Werther zijn afkomstig uit de vertaling van Thérèse Cornips, uitg. De Bezige Bij, 1984.

Oh wat is Werther verliefd. Het gaat alle grenzen te buiten. Hij denkt maar aan één ding ('Ik zie haar vandaag!') verlangt maar naar één ding ('Ik ... haar man!'), al zijn bezigheden zijn teruggebracht tot één hoofdbezigheid: verliefd zijn op Lotte, de vrouw die hij niet krijgen kan omdat zij verloofd en later getrouwd is met een ander. 'Zonder haar verzinkt alles in het niet' beweert hij. Hij zal het wel menen, maar toch zit er iets moedwilligs in zijn gedrag, zijn onherroepelijke afstevenen op de afgrond. Is zijn verliefdheid soms een beslissing waarop hij onder geen beding terug wil komen, omdat het hem wel zo goed uitkomt om tragisch te verkwijnen en te sterven voor een onbereikbare vrouw, aangezien hij verder eigenlijk niet veel om handen heeft en het met de wereld maar heel matig kan vinden?

Want zeker is dat laatste het geval. De jonge Werther, blijkbaar rijk genoeg om niet te hoeven werken als hij dat niet wil, blijkt van het begin af aan in Goethes roman Het lijden van de jonge Werther, een jongeman met weinig maatschappelijke ambities. Hij is een wat overgevoelig kereltje dat dweept met de natuur, de landelijke eenvoud en eenvoudige mensen, die zo'n aardige ongekunsteldheid hebben waar hij, van zoveel betere stand, plezier in heeft. Hij tekent wat, wandelt, schwärmt, leest Homerus - dat is het eigenlijk wel zo'n beetje voor hij Lotte ontmoet. Dansen op partijtjes en de meisjes het hoofd op hol brengen, want zo'n onschuldig schatje is het niet. Meteen op de eerste bladzijde schrijft hij al aan zijn vriend Wilhelm, aan wie bijna het hele boek in briefvorm gericht is, over een meisje dat wat al te dol op hem geraakt is. 'Kon ik het helpen dat er, terwijl ik me door haar zusters grillige charmes aangenaam liet bezighouden, dat er in dat arme hart een passie opvlamde?'

Hij doet dus niet veel, de jonge Werther, en zijn vriend Wilhelm vindt dat verkeerd. Die wil hem aan het werk hebben. Men mag nog zo geniaal zijn en behept met talloze talenten, iemand die zijn dagen vult met peren en bloemen plukken, naar muziek luisteren, en met Lottes broertjes en zusjes dollen tot ergernis van serieuze lieden - 'de dokter, een rechtlijnige ledepop, (-) vond zoiets beneden de waardigheid van een verstandig mens; ik zag het aan zijn neus' - die zal het niet ver brengen in de wereld. Vriend Wilhelm is duidelijk een vertegenwoordiger van de burgermaatschappij die weet wat moet en hoort. Werther stoot zich aan een stuk door aan al dat fatsoen, aan de regels en de bekrompenheid en de vooroordelen, zoals al op een luchtige manier blijkt uit zijn spottende opmerking over de dokter. Diens normen zijn niet die van Werther, en dat maakt Werther wel fris.

Het is echter niet alleen zo dat Werther andere opvattingen heeft, dat hij vrijer en onbekrompener is dan veel van de mensen om hem heen, hij voelt ook werkelijk dat hij niet bij ze past - niet bij ze zal kunnen passen. Hij verlangt er wel eens naar om maar gewoon te kunnen werken, gewoon tussen bergen papier te zitten en ordelijke dingen te doen, vooral als zijn verliefdheid op Lotte hem zijn energie en zijn verbeeldingskracht ontneemt en hij zich voelt 'als een lekgeslagen emmer'. Maar dan komt hem steeds weer de 'fabel van het paard voor de geest, dat zich, ongedurig geworden door zijn vrijheid, laat zadelen en tomen en dood wordt gereden - en dan weet ik niet wat ik moet doen'. Een maatschappelijk bestaan zou iemand die zo overgevoelig is wel eens fataal kunnen worden. Helaas staat er geen andere weg voor hem open nu zijn scheppingskracht is verdwenen - waar die dan ook ooit uit bestaan mag hebben, want van meer dan wat tekenen is nergens sprake.

Werther probeert het dus maar een poosje in de echte wereld, dan is hij meteen een eindje bij Lotte en haar verloofde uit de buurt. Hij wordt secretaris van een gezant en alles wat hij meemaakt, vindt hij verschrikkelijk. De mensen met wie hij te maken krijgt zijn te dom en te plat voor woorden, de gezant is een pietluttige kwast, het plaatsje waar hij terecht komt het bekrompenste dat zich denken laat, alom heersen ergerniswekkende burgelijke conventies - het enige voordeel is dat hij er zelf nogal gunstig bij afsteekt. 'Sinds ik elke dag met deze lieden moet optrekken sta ik op veel betere voet met mezelf.' Zijn poging duurt niet lang, hij is ook al spoedig onmogelijk geworden en dan racet hij terug naar Lotte om uiteindelijk te gronde te gaan.

Wat zou hij anders hebben moeten doen? Er zat voor Werther niets anders op, hij is een kind van zijn tijd, zijn tijd vol Weltschmerz, een romantische tijd die onaangepastheid hoog in het vaandel had, waarin sterven iets moois en bleeks en tragisch was en men maar al te graag koketteerde met de gruwelijke duisternis van het graf. Gerrit Komrij schreef: 'Slechts uiterlijk is het Werthers liefde voor Lotte die hem tot de zelfmoord drijft: maar in feite is het de ennui, de walging voor het leven, het gevoel misplaatst te zijn'.

Zelfspot

Zo'n jongen is Werther dus, in Goethes boek. Een onaangepaste wiens creativiteit en hartstocht geen plaats kunnen vinden in de wereld. Hij is ook wel de bleke dromer die gek is op zuchten en huilen, de hystericus die ons meteen voor de geest komt als we de naam Werther uitspreken, maar in de roman is hij toch beslist meer dan dat. Steviger, leuker, eigenaardiger. Hij heeft zelfs wel grappige zelfspot, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de passage waarin hij schrijft dat Lotte 'dag lieve Werther' heeft gezegd toen hij wegging en hoe verrukt hij daarvan is en het almaar bij zichzelf herhaalt 'en toen ik gisteravond laat naar bed wilde gaan en hardop allerlei kletspraat hield tegen mezelf, zei ik opeens: Welterusten, lieve Werther! - en moest er daarna zelf om lachen.' Zoiets is toch erg innemend. Ook tekenend voor een verliefde trouwens, want verliefdheid geeft de mens allerlei merkwaardig gedrag in en maakt iemand overbewust van zichzelf, hij voelt immers in gedachten almaar de blik van de ander op zich gericht.

Hij kon het erg goed, verliefdheid beschrijven, de 25-jarige Goethe. Het is wel begrijpelijk dat zijn Werther toen het in 1774 verscheen een succes was, al gingen de omvang en de gevolgen van dat succes elke proportie te buiten. Jongemannen die zich, gehuld in Werthers lievelingskleding: een blauwe rokjas met een geel vest en een gele broek, door het hoofd schoten, net zoals Werther dat had gedaan - zo erg dat de 'Wertherdracht' op een gegeven moment officieel verboden werd. En hoe die jongens erbij kwamen dat zo'n dood iets moois zou zijn - over de praktijk ervan laat Goethe toch weinig te raden over. Het laatste deel van het boek, quasi door de uitgever geschreven, beschrijft allernuchterst de zelfmoord van Werther die, nadat hij zich 's nachts om twaalf uur door het hoofd geschoten heeft ('de hersens waren naar buiten gedrongen') 's morgens vroeg nog steeds levend maar reddeloos wordt gevonden en dan nog zes uur lang rochelend en kreunend ligt te kreperen. Daar is weinig romantisch aan.

Later, ondanks of misschien juist vanwege het succes, bewerkte Goethe zijn roman en voegde wat duidelijker aanwijzingen toe hoe men de jonge held te bezien had. Deze tweede versie, van 1787, is de nu meest gebruikte. Maar ondanks de wat grotere afstand tot de held en de verwijdering van plaatsnamen en dergelijke ging de cultus rondom het boek, en de immense behoefte van lezers om het verhaal als waar gebeurd op te vatten, gewoon door. Nu was er inderdaad wel enige werkelijkheid te vinden achter dit verhaal. Goethe bezocht in 1772 het stadje Wetzlar ten noorden van Frankfurt, waar hij in mei de jonge Charlotte Buff ontmoette, die verloofd was met Johan Christian Kestner. Hij werd verliefd, zij niet, hij was een poos lang bevriend met het verloofde stel en maakte zich in september heel onverwacht uit de voeten. Veel uit het leven van Charlotte Buff is in de roman terecht gekomen: haar jong gestorven moeder, de zorg voor haar broertjes en zusjes die zij daardoor op zich moest nemen, de omgeving, haar verloving - alleen de zwarte ogen van Lotte komen niet van Charlotte Buff maar van een andere dame met wie Goethe zich troostte: 'Het is een zeer aangename ervaring wanneer je een nieuwe hartstocht voelt, nog voordat de oude helemaal verdwenen is. Zo zie je graag bij ondergaande zon aan de tegenoverliggende kant de maan opkomen en schep je vreugde uit de dubbele stralen van twee hemellichamen,' schreef de grote man later.

Werther heeft zeker het een en ander van Goethe zelf, maar zoals bekend heeft die zich niet door het hoofd geschoten. Dat deed wel de te Wetzlar wonende Karl Wilhelm Jerusalem, een jonge gezantschapssecretaris, ook uit ongelukkige liefde. Het is dan ook zijn kamertje dat de Wetzlar-bezoeker te zien krijgt die in de sporen van Werther wil lopen.

Kapot

Een van de velen die daar op bezoek gingen, was de Franse componist Jules Massenet (1842-1912), die in 1885 in Wetzlar was en zich meteen daarna stortte op de hernieuwde lectuur van 'die hartstochtelijke brieven die zoveel gevoelens van innig gepassioneerde liefde bevatten' zoals hij later zelf schreef. Hij ging vervolgens aan het componeren en schreef zijn Werther, die hij in 1887 kon voorspelen aan de directeur van de Parijs Opéra Comique. 'Ik speelde de vier bedrijven en toen ik bij de finale aangekomen was zonk ik uitgeput ineen... kapot.' Dat is taal die past bij Werther.

De muziek die Massenet schreef past ook bij Werther. Als er ooit iets romantisch geschreven is dan is het dit wel. Melodieus en zoetvloeiend, soms jagend en opzwepend en met vervaarlijk gedreun als ergens de aandacht op gevestigd moet worden: 'Hemel! Werther!' BAMM, BAMM! 'Ja, ik ben het, ik ben terug!' BAMM! Ook als Charlotte zich uit Werthers verboden omhelzing bevrijdt, laat de muziek er geen misverstanden over bestaan dat zij nu èrg van streek is.

Op andere momenten is de muziek weer zo lieflijk dat een mens wel van staal moet zijn om er niet door meegesleept te worden: de hele laatste acte waarin Werther stervend in Charlottes armen ligt en zij in wanhopige berusting zingen dat ze moeten vergeten, maar ook de aria uit de derde acte, het beroemde 'Pourquoi me réveiller, ô souffle du printemps' - wiegend en betoverend en alle verzet brekend. Goed, laat Massenet dan niet de grootste componist aller tijden zijn, laat het er af en toe wel erg hevig en bijna geëxalteerd aan toe gaan, mooi is dit wel, en ontroerend is het ook.

Broer

Werther die sterft in Charlottes armen (in de opera is Lotte Charlotte geworden) dat is niet wat Goethe heeft geschreven. In het boek blijft Lotte Werther afwijzen, al zijn er momenten waarop zij bijna lijkt te bezwijken - houdt ze echt niet van de jongen die haar zo goed begrijpt en met wie ze op allerlei momenten zo één is? De librettisten van Massenet hebben niet geloofd in de onwilligheid van Lotte. Het ìs ook moeilijk om haar te geloven, als ze overdenkt hoe dierbaar Werther haar is geworden, hoe ze elkaar aanvoelen, wat een brave echtgenoot Albert toch is voor een degelijke vrouw, hoe verschrikkelijk ze Werther zal missen: 'O, als hij op dat ogenblik in een broer zou kunnen veranderen, wat zou ze gelukkig zijn geweest!' Ja, ja. Over haar echte broers hoor je haar anders nooit.

Edouard Blau, Paul Milliel en Georges Hartmann, die het libretto schreven, hebben besloten dat Charlotte ook verliefd is op Werther. Maar omdat zij haar stervende moeder heeft beloofd dat ze met Albert zou trouwen is ze gebonden - zij is een vrouw van eer en ook Werther zingt meteen manhaftig als hij dit hoort dat zij zich natuurlijk aan haar belofte moet houden. Die eer verbiedt Charlotte ook om een woord van liefde over haar lippen te doen komen. Dat maakt haar, anders dan in de roman waar ze, vooruit, laten we het maar geloven, Werthers gevoelens niet beantwoordt, zelf tragisch. Ze zou wel graag anders willen, ze verlangt naar Werther, maar ze mag niet, ze kan niet. Een prachtig moment in de opera zoals regisseur Willy Decker hem nu vorm heeft gegeven is dat waarop Werther op kerstavond ineens voor haar staat. Charlotte zat net aan hem te denken, ze denkt eigenlijk aldoor aan hem maar probeert dat in zichzelf te onderdrukken, en ze vliegt naar hem toe om in zijn armen te verdwijnen, die hij al uitnodigend geopend heeft. Maar op het moment dat ze zich tegen hem aan zal gooien houdt ze in, en nog voor ze hem heeft aangeraakt draait ze zich vliegensvlug om, zodat hij het niets omhelst. Het is een mooie uiting van de strijd tussen gevoel en verlangen, die door beiden gevoerd wordt.

Pas als Werther stervende is, bekent Charlotte wat zelfs zijn kus niet uit haar los kreeg: 'En ik, oh Werther! ik houd ook van jou.' Te laat, te laat. Toch is dat einde merkwaardig vredig. Zo onafwendbaar zingt de muziek van een verdriet waaraan niet te ontkomen viel, dat er wel berust moet worden.

Werther zelf is in de opera een eenduidiger personage dan bij Goethe. Zijn hele onaangepaste kant is weg, hij is alleen nog maar de hopeloze minnaar. Maar daarin staat hij, in de opera althans, niet alleen: de 'brave, onverstoorbare Albert' zoals Werther hem noemt, is er niet minder ellendig aan toe dan Werther. Hoewel het libretto Albert voortdurend naar de achtergrond schuift en alle aandacht zich op het gemankeerde liefdespaar richt, heeft regisseur Decker hem toch gezien. Op het laatste moment, als Werther sterft, laat hij Albert binnenkomen. Dat lijkt eerst helemaal niet zo'n goed idee - Albert heeft daar in dat sterfvertrek niets te zoeken, was hij niet degene die Charlotte dwong de pistolen aan Werthers bediende mee te geven, de sta-in-de-weg, de ten onrechte getrouwde? Maar dan herinneren we ons weer de roerende aria die hij helemaal in het begin zingt, als hij Charlotte niet thuis treft omdat zij, voor het eerst, met Werther naar een bal is. 'Ze houdt van me, ze denkt aan me,' zingt hij gelukkig. Dat was misschien wel niet waar. Maar zeker is dat hij wel van zijn vrouw houdt en haar gelukkig zou willen maken. En zeker is ook dat Werther een storende factor is in dit huwelijk, dat het voor iedereen veel beter geweest zou zijn als hij was opgehoepeld en nooit meer teruggekomen. Ook Alberts leven is door Werther en zijn zelfmoord verwoest.

Koekoeksei

In Lotte in Weimar laat Thomas Mann de inmiddels bejaarde Charlotte Kestner-Buff protesteren tegen het lot van romanpersonage dat haar in Goethes boek - en daarbuiten - ten deel is gevallen. Hoewel ze ook gevleid is door de rol die ze voor het oog van de wereld speelt, wordt ze er tegelijkertijd door gekweld ('Wat zijn mijn arme, dwaze woorden, dat ik ze voor alle eeuwigheid zou hebben gezegd?') en ze laat zich bepaald niet steeds even vleiend uit over Goethe en zijn buitenproportionele verliefdheid, die vreemdeling die zomaar op haar verloving neerstreek, die haar, het mooie jonge meisje dat alleen maar mooi en jong was ten behoeve van haar brave verloofde, het hoofd op hol wilde brengen. Hij was 'de derde, die van buiten komt en in een nest dat hij aantreft het koekoeksei van zijn gevoelens legt' zegt ze verontwaardigd. Zelfs na al die jaren ('De tijd speelt hier inderdaad zo'n machteloze rol als slechts zelden in het leven voorkomt') snikt ze nog om het onrecht dat haar en verloofde Albert, nee Hans Christian, is aangedaan. Ze beklaagt zich alsof ze Hyacinthus was die door Apollo werd liefgehad, en gebruikt ook werkelijk woorden als 'goddelijk' - Goethe staat zo hoog dat het voor een gewone sterveling geen genoegen is met hem om te moeten gaan.

Zeker is het zo dat Werther een plaag is voor een verloofd en later gehuwd stel, met zijn eeuwige aanwezigheid, liefst als de man van huis is, zijn gesnik en gezucht en zijn liefde die hij niet onder stoelen of banken steekt en die hij zelf als een zeer bijzondere beschouwt, eentje waar Albert niet aan kan tippen. 'Oh, hij is niet de man die vervullen kan wat dat hart wenst!' Arme Albert, die een vrouw heeft die treurt om een ander. En arme Charlotte, die geen gelegenheid krijgt los te komen van de man wiens liefde ze niet mag beantwoorden. En dat alles vanwege die hulpeloze dwaas van een Werther: 'Wat moet die razende hartstocht zonder eind?'