Westen speelt met Moskou op twee borden tegelijk

Wat in Oost-Europa ook aan veranderingen optreedt, het vermag de leiders in het Westen niet uit hun evenwicht te brengen. De verkiezingszeges van ex-communisten, de nederlagen die hervormers en democraten treffen, de onduidelijkheid die toeneemt rondom de politieke macht zoals die wordt uitgeoefend in en namens de Russische federatie, er wordt met schouderophalen op gereageerd. Voor een deel zou dat kunnen worden verklaard uit verwarring over de betekenis van de jongste ontwikkelingen, maar zelfverzekerdheid over de houdbaarheid en juistheid van de eenmaal ingeslagen koers is zeker niet de minste factor.

Na de val van de Muur is het dogma van het containment van de Sovjet-macht vervangen door dat van de expansie, van het opvullen van het op het voormalige communistische territoir ontstane machtsvacuüm. Voor de dreiging die uitging van de Sovjet-Unie is het risico van de onevenwichtigheid in de inter-statelijke verhoudingen in Oost-Europa in de plaats getreden. Dat risico moet volgens de in het Westen geldende overtuiging worden bestreden met behulp van een projectie van de Westerse normen en waarden - markt, rechten van de mens en democratie - op het voorheen communistische gebied. De plannen om de NAVO en de Europese Unie uit te breiden met (de) landen in Oost-Europa komen daaruit voort. En omgekeerd beschouwen de vroegere Sovjet-satellieten het lidmaatschap van die organisaties als de kortste weg naar veiligheid, voorspoed en geluk.

De regering in Moskou heeft zo haar bezwaren tegen de uitbreidingsplannen, althans die van de NAVO. Volgens haar gaat het om een banale en doorzichtige poging van de kant van de voormalige vijand om zijn invloedssfeer tot aan de Russische grenzen uit te breiden, gebruikmakend van een moment van Russische zwakte. In die denktrant past het waarschuwingen te geven, zowel aan de landen die tot de NAVO willen toetreden als aan de lidstaten van die organisatie. Tot dusver hebben Westerse pogingen als het partnerschap voor vrede en het aangaan van een 'speciale relatie' met Moskou de Russen niet kunnen overtuigen. Dat heeft geleid tot een soort dovemansdebat: vanuit het Westen wordt keer op keer onderstreept dat Rusland niets te vrezen heeft en weldra zal inzien dat de uitbreidingen van de Westerse organisaties ook het Russische belang dienen, vanuit de Russische Federatie wordt voortdurend teruggegromd dat men niet van plan is in die val te trappen.

Als het erop aankomt liggen de overwegingen van het Westen en die van Moskou dichter bij elkaar dan op het eerste gezicht schijnt. Het Westen tracht op twee borden tegelijk te spelen. Op het ene bord is de winst een systeem van collectieve veiligheid: het hele gebied tussen de Duitse Oostgrens en de Oeral en desnoods verder heeft zich overgegeven aan vrije markt en democratie en de bewoners zijn NAVO en EU dankbaar daaraan hun onmisbare, want stabiliserende bijdragen te hebben geleverd. Maar op het tweede bord is de winst de veiligheid van het Westen ten opzichte van een in eng nationalisme volhardend, nijdasserig Rusland dat heeft geweigerd zich in een systeem van vrijheid en voorspoed te laten opnemen. In dat geval zou er inderdaad sprake zijn van een strijd om invloedssferen waarbij het Westen de overgangstijd tussen twee politieke ijstijden gebruikt om zijn grenzen zover mogelijk naar het Oosten te verleggen.

Terwijl het Westen zich tracht te concentreren op het eerste bord, staren de Russen gefascineerd naar het tweede. Het voorbeeld is ex-Joegoslavië. Het Westen ziet historisch de Balkan als een haard van onrust en tweespalt en als lont onder een heel Europa bedreigend kruitvat. De Russen hebben van oudsher gepoogd er ten koste van andere hegemonieën voet aan de grond te krijgen, wisselend gebruikmakend van de mystiek van het pan-slavisme, het marxistisch-leninisme en nu het orthodoxe christendom. De logica van de kruitvat-theorie ontgaat Moskou niet, vandaar de bijdrage aan de opeenvolgende vredesoperaties in Kroatië en Bosnië, maar tegelijkertijd streven de Russen met steun en begrip voor de Serviërs naar vergroting van hun invloed ten koste van andere mogendheden.

De problematiek wordt nog ondoorzichtiger doordat internationale organisaties zijn gaan optreden namens de daarachter opererende mogendheden. Er is sinds de Koude Oorlog een indrukwekkende systeembouw op gang gekomen. Instituten als de Verenigde Naties, de NAVO, de EU en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa zijn naar voren geschoven als een in elkaar grijpend a-politiek, neutraal mechaniek dat de menselijke samenleving moet behoeden voor oorlog en verval. Aanvankelijk ging het vooral om preventie, sinds het uiteenvallen van de Sovjet-Unie en Joegoslavië is ook overgegaan tot interventie.

Al doende hebben de betrokken organisaties ogenschijnlijk een eigen politieke persoonlijkheid ontwikkeld die al naar gelang de omstandigheden kan worden verguisd of opgehemeld. Zo staan EU en VN nu voor gebrek aan slagvaardigheid en voor intrinsieke zwakte, de NAVO heeft zich daarentegen tijdig van dit imago van halfzachtheid losgemaakt en mag paraderen als de voor de hand liggende 'robuuste' vredebrenger van de toekomst. Dat de krachtdadiger aanpak van de Bosnische problemen vooral een gevolg is van de sterk vergrote betrokkenheid van de Verenigde Staten zou gemakkelijk uit het zicht kunnen raken achter de verschillende institutionele decors waarvoor het spel van oorlog en vrede wordt opgevoerd.

De gedachte dat als er maar aan systeembouw wordt gedaan, als er maar instellingen worden opgericht en uitgebreid, alles wel goed zal komen, is een gevaarlijke. Of de verhoudingen in Oost-Europa in de toekomst al dan niet op vertrouwen zullen zijn gebaseerd, zal vooral afhangen van de rol die de Verenigde Staten in Europa bereid blijven te spelen. Het is inderdaad een keer gelukt, bij de Duitse hereniging, om de leiders in Moskou te overtuigen van de stabiliserende invloed van de in de NAVO verankerde Amerikaanse aanwezigheid in Europa. Maar dat ging gepaard met een ingrijpende ontmanteling van de militaire slagkracht van de alliantie. Het was de prijs voor een uiteindelijk onomstreden Duitse hereniging binnen het Westers bondgenootschap.

In 1990 desintegreerde de Sovjet-Unie, de leiding was verdeeld en verward. De Russische federatie is eveneens aan middelpuntvliedende krachten onderhevig. Maar dat zal Moskou dit keer niet meegaander maken. Het risico dat het spel uitsluitend op het tweede bord wordt uitgespeeld, is helaas niet denkbeeldig.

    • J.H. Sampiemon