Schaatsen is rolschaatsen; IJs in Nederland

Skiën is leuk, maar schaatsen is nog veel mooier. Voor schaatsen hoef je niet ver te reizen en in de rij staan bij de lift is ook niet nodig. Ook hoef je niet naar vervelende ski-klassen in je vrije tijd. En als je schaatst, zie je dat winters Nederland eigenlijk veel mooier is dan winterse Alpen. Witte sneeuw is fraai, jazeker, maar er gaat niets boven een pikzwart meer. Vooral als de zon het zwarte ijs laat glanzen en je met wind mee over het meer vliegt naar de kerktoren in de verte, krijg je het gevoel dat je naar de hemel gaat.

Maar schaatsen is moeilijk. Ik kan me nog goed herinneren hoe moeilijk, want ik was al 21 jaar toen ik voor het eerst op schaatsen stond. Op geleende Noren ging ik naar de rivier. Ik deed ze aan en ging staan. Wat nu? dacht ik. Ik wist het niet. Ik had vaak anderen zien schaatsen en wist dat je van het ene op het andere been moest glijden, maar hoe deed je dat eigenlijk? Bewegen durfde ik me niet, want ik merkte dat ijs onder schaatsen veel gladder is dan ijs onder schoenen.

Ik wist van natuurkundeles wel waaróm ijs op schaatsen gladder was dan op schoenen. Dat komt doordat ijs een bijzondere stof is. Alle stoffen kennen drie toestanden: vast, vloeibaar en gasvormig. In vaste vorm zijn de meeste stoffen zwaarder dan in vloeibare vorm. IJzer bijvoorbeeld neemt meer ruimte in als het bij hele hoge temperaturen vloeibaar is. Maar bij water, dat bestaat uit zuurstof en waterstof, is dat anders. Een fles water breekt als hij bevriest. IJs, vast water dus, neemt juist meer plaats in dan water en daarom is het lichter. IJs drijft ook op water.

IJs bestaat net als water uit zuurstof en waterstof, maar die zijn in ijs opgebouwd tot kristallen die meer plaats innemen dan de zuurstof en waterstof in water. Dat is dus bijzonder, maar wat heeft dat nu met de gladheid van ijs te maken? Dat komt doordat er nog iets met ijs aan de hand is. Als je op ijs drukt, smelt het. Onder hoge druk wordt ijs niet vloeibaar als de temperatuur hoger dan 0 graden wordt, maar al veel eerder. Dan smelt ijs al als de temperatuur boven de -20 graden komt, als het nog zeer streng vriest dus. Daarom komen stenen die op het ijs worden gegooid vast te zitten in het ijs, ook als het niet dooit. De steen drukt op het ijs, waardoor het ijs onder de steen verandert in water. Dat water wordt naar boven gedrukt en bevriest daar weer: de steen is gezakt en zit vast in het ijs.

En hoe zit het nu met schaatsen? Schaatsen, zo had ik geleerd, zijn als stenen: ze drukken zo hard op het ijs, dat onder de ijzers van de schaatsen een laagje water ontstaat. En dat laagje water maakt ijs onder schaatsen extra glad: je glijdt op je schaatsen soepeltjes over een laagje water. Daarom, zo wist ik ook, wordt ijs stroever als het heel koud is. Dan ontstaat er minder water onder de schaatsen. En daarom glijdt het ook niet zo goed als het, zoals nu, hard dooit. Dan ligt er juist teveel water op het ijs.

Dat dacht ik allemaal toen ik 21 was. Nu weet ik inmiddels uit de encyclopedie dat dit een ouderwetse verklaring is. 'De gladheid van ijs wordt niet meer uit de vorming van een waterlaagje verklaard, maar door een niet perfecte overgangslaag aan het ijsoppervlak,' lees ik bij het woord ijs. Dat is jammer. Want het gladde waterlaagje begrijp ik, maar ik weet niet waarom een 'niet perfecte overgangslaag' zo glad zou moeten zijn. Ook de wetenschapsredacteuren van deze krant kunnen me niet vertellen waarom. Alleen de chef opinie wist iets. De 'niet perfecte overgangslaag' betekent volgens hem dat op het ijs kleine losse deeltjes zitten. Daar rol je met je schaatsen als het ware op. Schaatsen zijn dus niet als stenen maar als rolschaatsen.

Aan al deze verhalen heb je niets als je op het ijs staat. Het is net als met autorijden. Je kunt wel weten hoe de motor van een auto precies werkt, maar met die kennis kun je nog niet autorijden. Daar stond ik dus op het ijs van de rivier. 21 Was ik al en ik dacht dan wel te weten waarom ijs zo glad was, maar ik wist niet wat te doen. Ook kende ik allerlei spreekwoorden en zegswijzen met ijs en schaatsen erin, maar die waren alleen bruikbaar toen ik mijn moeder later vertelde hoe het was gegaan. Ik had me op glad ijs begeven, zei ik tegen haar, maar ik was niet beslagen ten ijs gekomen. Lang stond ik stil maar ten slotte bewoog ik me toch: ik zette me met mijn ene been af om op het andere te glijden. Natuurlijk viel ik. Net als iedereen heb ik met met vallen en opstaan schaatsen geleerd. Eerst veel gekrabbel, maar aan het eind van de middag kreeg ik de slag te pakken.

    • Bernard Hulsman