Opgegeten door de zwerfhonden; Paul Verhoeven over Jezus en Showgirls

De behoefte van Paul Verhoeven om felrealistische films te maken, zoals Basic Instinct en Showgirls, stamt uit het eind van de jaren zestig. Hij flirtte toen met de Pinkstergemeente, blijkt uit de biografie die Rob van Scheers over hem schreef. Verhoeven schrok van de dweepzieke kant van zijn karakter en wil sindsdien de realiteit zo expliciet mogelijk laten zien. “Ik wil natuurlijk dat we à la RoboCop onsterfelijk zijn, maar de werkelijkheid leert het tegendeel,” zegt hij.

Rob van Scheers: Paul Verhoeven. De geautoriseerde biografie. Uitg. Bijleveld, 320 blz. Prijs ƒ 39,90. De film Showgirls is vanaf 15 febr. in Nederland te zien.

De internationaal beroemdste Nederlandse filmregisseur is al enige tijd niet meer Joris Ivens, maar Paul Verhoeven. Ze lijken wel elkaars tegenpolen. Ivens, de charmante, charismatische utopist wiens documentaires een grotere reputatie verwierven dan ze feitelijk verdienden. En Verhoeven, de brutale, subversieve, geen blad voor de mond nemende regisseur van commerciële speelfilms, die geen gelegenheid onbenut laat om schijnheiligheid aan de kaak te stellen en het opportunistische en politiek niet-correcte karakter van de menselijke natuur bloot te leggen. Mede door die houding zijn Verhoevens films, met name door de Nederlandse filmkritiek, in het verleden stelselmatig onderschat.

Tijdens een Europese promotietournee voor zijn nieuwe film Showgirls heeft Verhoeven, die sinds 1985 in Amerika woont maar nog steeds de beschikking over een huis in Den Haag heeft, een exemplaar van de pas verschenen Ivens-biografie door Hans Schoots bij zich gestoken. Verhoeven blijkt een bewonderaar van Ivens' films: “Wat ze over zijn politieke oriëntatie schrijven, kan me niet zo veel schelen. Ik vind Ivens' films nog steeds erg aardig,” zei hij vorige week in een gesprek met mij. Ook over Verhoeven verschijnt volgende week een biografie. De auteur van deze 'geautoriseerde' beschrijving van Verhoevens leven en werk tot nu toe, met inbegrip van de vernietigende ontvangst door de Amerikaanse pers en publiek van Showgirls, is de journalist Rob van Scheers. Hij deed omvangrijke research en sprak met bijna alle sleutelfiguren uit Verhoevens professionele en privé-leven. 'Vanwege diverse redenen en overwegingen' bleken drie getuigen daartoe volgens Van Scheers 'niet in staat': Sharon Stone, de hoofdrolspeelster uit Basic Instinct , Verhoevens Nederlandse producent Rob Houwer en de voormalige filmcriticus en voorzitter van het Productiefonds Jan Blokker. Vaak heeft Verhoeven al beweerd dat zijn vertrek uit Nederland in 1985 vooral ingegeven werd door de vernederende behandeling die Blokker hem had gegeven bij het aanvragen van subsidie. Van Scheers brengt de tegenstelling met Blokker terug tot een zeer oude vete, begonnen met de bekroning van Eén hagedis te veel, Verhoevens korte Leidse studentenfilm op het Cinestudfestival 1960 ten koste van Blokkers favoriet Frans Weisz. Met name de Leidse arrogantie waarmee de op de Filmacademie gesjeesde Verhoeven deze revanche zijn tegenstanders ingepeperd had, zou geleid hebben tot een vernietigend stuk van Blokker over de 'misse mentaliteit' van Verhoevens volgende filmpje De lifters. Maar ook uiteenlopende opvattingen over het verschil tussen 'commerciële films' en 'auteurscinema' worden door Van Scheers breed uitgemeten.

Rob Houwer, nu lid van de (subsidies verdelende) commissie lange speelfilms van het Nederlandse Fonds voor de Film, en nog steeds de personificatie van de eerstgenoemde stroming, produceerde vijf van Verhoevens zeven Nederlandse lange speelfilms. De producent betaalde Verhoeven voor de regie van Turks fruit (1972) een eenmalig salaris van 20.000 gulden. Toen de commercieel meest succesvolle Nederlandse film aller tijden (3,3 miljoen bezoekers) voor een Oscar genomineerd werd weigerde hij Verhoevens reis naar Los Angeles te betalen. Volgens hoofdrolspeelster Monique van de Ven was er een reden voor Houwers zuinigheid: “Hij was doodsbang dat wij, of in ieder geval Paul en Rutger (Hauer) daar zouden blijven hangen”.

Ook toen de BBC-televisie voor de afgelopen maandag aan Verhoeven gewijde aflevering van het kunstprogramma Omnibus fragmenten uit zijn Nederlandse films wilde vertonen, gaf Houwer daar pas na veel gesoebat toestemming voor. Is de ruzie nu nog niet over? Verhoeven: “Jawel hoor, we hebben vorige week nog samen gegeten. Maar dit is een beetje flauw van Rob. Ik zou toch het liefst nog een keer met Gerard Soeteman en Rob Houwer een Nederlandse film maken. Want achteraf bezien, kun je toch zeggen dat mijn Nederlandse films meer gelaagd zijn dan de vier Amerikaanse”.

Schijnheilig

In Van Scheers' biografie worden juist de overeenkomsten tussen Verhoevens Nederlandse en Amerikaanse films benadrukt. Wel maakt de auteur een indeling in realistische (Spetters, Showgirls, Turks fruit), mythische (RoboCop, Flesh+Blood) en poëtisch-surrealistische films (De vierde man, Basic Instinct) van Verhoeven. Die etikettering gaat in veel opzichten niet op. De vaak nogal onhandig geschreven biografie, die bijna elk hoofdstuk begint met schoolkrantachtige zinnetjes als 'De ochtend van de 24ste maart 1983 smaakte Paul Verhoeven het ontbijt beter dan anders', moet het eerder hebben van rijke anekdotiek en bronnenmateriaal dan van analyse of synthese.

Uit de verzamelde informatie valt wel af te leiden wat de belangrijkste invloeden op Verhoevens werk geweest zijn. Hij werd geboren in 1938 als enig kind van een Amsterdams schoolhoofd, in een nominaal Nederlands-hervormd, liberaal milieu. Het grootste deel van de Tweede Wereldoorlog was hij in Den Haag. De oorlog maakte indruk op hem door de bombardementen op het Bezuidenhoutkwartier, maar vooral door de schijnheilige manier waarop na de bevrijding omgegaan werd met bevriende kinderen, wier ouders prominente NSB-ers geweest waren. Van vaders kant werd de ambitie van de intelligente Paul gestimuleerd; hij was de kleinste van de klas, maar moest altijd de beste zijn. Hij ging wis- en natuurkunde studeren in Leiden, werd lid van het corps en daar op sociale gronden niet van harte geaccepteerd.

Verhoeven sloot zich aan bij de harde kern van de Nederlandse surrealisten (Her de Vries, Willem Wagenaar, Jopie Moesman), maakte schilderijen in de trant van Magritte en regisseerde in 1960 de lustrumfilm van het corps Minerva, met de regisseur van speelfilms uit de jaren dertig Ernst Winar (Op stap) als mentor en cutter. Verhoevens toenmalige cameraman Frits Boersma vertelde Van Scheers: “Met het surrealistisch schilderen en al dat gedoe met magie en hypnose, kwam nu juist de irrationele kant in hem naar boven. Als hij daarin was doorgegaan, was hij volgens mij in een gekkenhuis terechtgekomen”.

Nu had dat een paar jaar later toch weinig gescheeld. De scenarist van Verhoevens studentenfilms Jan van Mastrigt, een rechtenstudent die ook filmkritieken en gedichten schreef, maakte in de zomer van 1964 een einde aan zijn leven. Verhoeven zegt er nog regelmatig van te dromen. Hij bewerkte kort daarna samen met Kees Holierhoek de Anton Wachter-cyclus van Simon Vestdijk tot een speelfilmscenario, waarin de naar Van Mastrigt gemodelleerde bijfiguur Wim Mesquita tot gelijkwaardige hoofdpersoon wordt gepromoveerd. Eind 1966 bleek het project niet gerealiseerd te kunnen worden, Verhoevens vriendin en latere echtgenote Martine Tours werd per ongeluk zwanger en Verhoeven raakte compleet in verwarring. Hij noemt zijn hieruit resulterende flirt met de Heilige Geest in een groep van de Pinkstergemeente achteraf zijn 'religieuze psychose' (later verbeeld in Spetters (1980) met Peter Oosthoek als evangelist). Sindsdien, meent Verhoeven, is hij zo bang geworden voor die duistere, dweepzieke en mystieke kant in zijn karakter, dat hij fel realistisch is gaan filmen: “Mijn werk werd een anker in de werkelijkheid. Vandaar de behoefte alles zo expliciet te laten zien”.

In die benadering vond Verhoeven een nieuwe bondgenoot in scenarist Gerard Soeteman, die in het dagelijks leven vertaalwerk deed voor de televisie. Samen maakten ze de televisieserie Floris en de zeven Nederlandse speelfilms. De loyaliteit van Verhoeven aan vaste medewerkers is overigens een door Van Scheers nauwelijks opgemerkte bijzondere eigenschap: vanaf zijn eerste lange speelfilm heeft Verhoeven maar twee cameralieden gebruikt, Jan de Bont en Jost Vacano. Zijn vaste Nederlandse regie-assistent Jindra Markus wordt in de biografie een keer genoemd en daarbij abusievelijk 'assistente' genoemd. Ook Verhoevens niet tot een groot conglomeraat behorende onafhankelijke impresario Marion Rosenberg, die de regisseur buiten de bestaande machtsblokken in Hollywood plaatst, is door Van Scheers niet of nauwelijks geraadpleegd.

Jesus Seminar

De tegenstelling in Verhoevens werk tussen wiskundige precisie en rationaliteit, bijvoorbeeld in de gedetailleerde storyboards die hij maakt en de zeer grote controle over de opnamen, en een obsessie voor het irrationele, zou wel eens een goede verklaring kunnen vormen voor het controversiële karakter van zijn stijl. Op vele plaatsen in Verhoevens werk blijkt de affiniteit van de niet-gelovig opgevoede filmer met Jezus Christus, van de over het water lopende RoboCop tot de hemelvaart in een van de balletten uit Showgirls. Sinds 1985 neemt Verhoeven samen met 77 theologen twee keer per jaar deel aan het zogenaamde Jesus Seminar, een langdurig onderzoeksproject naar de historische waarheid rondom Jezus Christus. Volgens hun voorlopige conclusies was Jezus een joodse boer, waarschijnlijk geen eerstgeborene en zijn er evenmin bewijzen voor zijn wederopstanding. De kans bestaat dat zijn in een ondiep graf geworpen lichaam door zwerfhonden is opgegeten.

Verhoeven wil de resultaten van het Jesus Seminar benutten voor de vervaardiging van de eerste realistische speelfilm over Jezus van Nazareth, getiteld Christ the Man (geplande premièredatum: kerstmis 2000). Scorsese's The Last Temptation of Christ acht Verhoeven een sprookje: het meest correcte historische beeld tot nu toe wordt volgens hem gegeven in Monty Python's The Life of Brian.

Het Jezussyndroom is bij Verhoeven meer dan de neerslag van overwonnen waanzin. Hij beschouwt de opstandingsmythe als de kern van de westerse beschaving, namelijk de weigering de dood als het einde te beschouwen: “Ik wil natuurlijk dat we à la RoboCop ondeelbaar en onsterfelijk zijn, maar de werkelijkheid leert het tegendeel. Vanuit deze dialectiek draai ik mijn films: het lijkt misschien wel louter provocatie, maar het is woede over de nietigheid van ons 'design'. Dat gevoel zit in Soldaat van Oranje als de praeses over de feuten loopt alsof het lijken zijn - je hebt het gevoel naar een beeld uit Auschwitz te kijken. Het zit in Total Recall wanneer Arnold Schwarzenegger op de roltrap het lichaam van een dode man als schild gebruikt, maar ook het hondje uit Turks fruit dat het vruchtwater van de bruid oplikt.”

Wie naar Verhoevens oeuvre kijkt in de wetenschap dat hij de mens 'een inferieur concept' acht en dat hij steeds moet vechten tegen de verleiding te geloven in het eeuwige leven, de wederopstanding of enige andere utopie, die krijgt meer begrip voor de botheid en de wreedheid van die films - en snapt ook wat Verhoeven in Ivens bewondert.

Insekten

Maar er zijn meer lijnen te trekken uit het slordig geordende materiaal in Van Scheers' biografie: bijvoorbeeld naar de cinefilie van Verhoeven, die geen film maakte die niet ingrijpend beïnvloed is door de vormgeving van illustere voorbeelden als Hitchcock, Fellini, Welles, Buñuel. Of naar het typisch Nederlandse van Verhoeven, wiens pad steeds dat van de even oude, in Leiden afgestudeerde koningin Beatrix kruist en die in bijna al zijn Nederlandse films naar het Oranjehuis verwijst, al sneuvelde de onder de rokken van Keetje Tippel graaiende koning Willem III al in de eerste scenariorevisie.

Het doet hoe dan ook deugd te constateren dat de morele verwarring en daarna de verguizing van Verhoeven door de spraakmakende gemeente van de filmkritiek, zich na de aanvankelijke successen nu met Basic Instinct en Showgirls internationaal net zo herhaalt als in Nederland met Turks fruit en Spetters. Nederland is niet te klein voor Paul Verhoeven en je kunt misschien beter met Jan Blokker te maken hebben dan met een Hollywood-studiochef. “In mijn volgende film, Starship Troopers”, verklapte Verhoeven vorige week in Amsterdam, “zijn alle mensen goed. Het zijn de insekten die daar de schurkenrol te spelen krijgen. Columbia/Sony zal binnenkort wel toestemming geven te draaien, want er is al veel geld geïnvesteerd. En ik mag een, hooguit twee keer een zeperd halen, daarna beginnen pas de problemen.”