Lust als lot; Vaardige verhalen van Kees Quirijns

Kees Quirijns: Met kerst geopend. Uitg. Vassallucci, 184 blz. Prijs ƒ 39,90

Kees Quirijns (1935) is in zijn tweede roman, Met kerst geopend, niet zuinig met deftige verwijzingen. Citaten van Dante, Goethe en Marcus leiden de drie afdelingen van de roman in, die wat compositie betreft de Divina Commedia citeert. Het lot voert hoofdpersoon Etienne Stuhlemeijer achtereenvolgens door Inferno, Purgatorio en Paradiso. Aan het slot wacht hem niets minder dan de verlossing. Sadder and wiser, maar ook een stuk rustiger van geest en - vooral - driftleven, slijt hij dan zijn dagen. In Columbia nog wel; in de drugshel ligt de hemel.

Daaruit blijkt al dat het met de deftigheid van Met kerst geopend wel meevalt. In de roman wordt de vergetelheid uitbundig geconsumeerd in de vorm van drugs en drank. Er zijn talloze uitstapjes naar de Amsterdamse discotheken Roxy, Richter en iT en naar bordelen in binnen- en buitenland. Manfred Langer en Frank Govers spelen er respectievelijk dood en levend bijrolletjes in en de hoofdpersoon is hopeloos aan seks verslaafd.

Het is bij Quirijns niet de liefde die 'zon en sterren beweegt', zoals Dante dichtte, maar de lust. Over Etienne Stuhlemeijer komen we niet zo veel feitelijks te weten, maar wel dat hij bijna samenvalt met zijn libido. ' 'Zeg Bert,' zei hij (Etienne, GVS) nadenkend, 'door mijn leven loopt een rode draad. Vrouwen.' ' Stuhlemeijers noodlot is dat hij seks moet bedrijven tot hij er bij neervalt. De lezer volgt hem daarin op de voet - geen (on)smakelijk detail dat je niet voorgeschoteld krijgt.

Het dwangmatige karakter geeft aan Stuhlemeijers uitspattingen een wrang tintje. De verlossing - eindelijk een beetje rust - die hem ten deel valt, is dubbelzinnig. De lezer blijft aan het slot zitten met de vraag of Stuhlemeijer, dan inmiddels een stuk ouder, tot inkeer is gekomen of dat hij daar in Columbia gewoon niet meer kàn. Ik neig tot het laatste. Naarmate de roman vordert, krijgt hij -gelukkig- de trekken van een ironische seksuele parabel. Thema: de glorieuze opkomst en de wat minder glorieuze ondergang van de mannelijke potentie.

Dat je als lezer aan het slot met vraagtekens blijft zitten, is deels een verwijt aan Quirijns. De postmodernistische vorm- en citeerspelletjes in de roman kunnen niet verhullen dat Quirijns meer een verteller dan een schrijver is. Quirijns kan zich in zijn verteltdrift niet altijd bedwingen: dan volgt er weer een anekdotische uitweiding die weliswaar schilderachtig is, maar de voortgang van het verhaal ophoudt en de lezer het overzicht beneemt. Ook de drieluik-vorm is verwarrend: hel en vagevuur zijn in grote lijnen hetzelfde.

Maar de afzonderlijke, vaardig vertelde zelfkant-verhalen, met veel couleur locale, maken veel goed. Net als de talloze vrouwen-portretten. Of het nu hitsige Tante Bep is of fatale prostituée Hellen, alleen al deze ietwat bezoedelde, maar gedenkwaardige typen redden de roman.

    • Gertjan van Schoonhoven