In een uur de eeuwigheid; William Blake en het evangelie van de verbeeldingskracht

Zoals het oog, zo het object, zei de Engelse dichter William Blake. Ieder oog keek volgens hem anders. Dat demonstreert hij met zijn werk: zijn oog zag wat zijn verbeelding zag, en met die verbeelding leefde hij in een spirituele wereld. Peter Ackroyd beschrijft Blake in een nieuwe biografie als een licht ontvlambare man, die in toenemend isolement aan zijn eigen visionaire revolutie bleef werken.

Peter Ackroyd: Blake. Uitg. Sinclair-Stevenson, 399 blz. Prijs ƒ 63,-.

Wat het precies is weet ik niet, maar het werk van William Blake blijft mij aantrekken en afstoten. Het heeft iets onwaarschijnlijks, dat beurtelings ontroert, imponeert, irriteert en op de lachspieren werkt. Hij heeft schitterende gedichten geschreven, maar ook veel waarin ik tot dusver niet vermag door te dringen. Veel verder dan zijn Songs of Innocence, zijn Songs of experience en The Marriage of Heaven and Hell heb ik het nooit gebracht. Wanneer in de dichter een visionair ontwaakt die in een serie profetische boeken een vreemdsoortige mythologie van eigen vinding ontwerpt, dan verdwaal ik in een jungle van onbegrijpelijkheden.

Wie is die man, die in Jerusalem, een van zijn laatste grote werken, schreef:

Trembling I sit day and night, my friends are astonish'd at me Yet they forgive my wanderings. I rest not from my great task! To open the Eternal Worlds, to open the immortal Eyes Of Man inwards into the Worlds of Thought, into Eternity Ever expanding in the Bosom of God, the Human Imagination

Was hij werkelijk een visionair, een profeet? Of een excentriek warhoofd? Hij was in elk geval een kunstenaar met een zo eigen verbeeldingswereld, en zulke radicale opvattingen over kunst en religie, dat zijn werk mij nieuwsgierig maakte naar zijn biografie.

Peter Ackroyd, van wie onlangs een nieuwe biografie over William Blake (1757-1827) verscheen, beschrijft zijn leven en werk in de context van het sociale en artistieke leven in het Londen van de late achttiende en de vroege negentiende eeuw. Dat verheldert veel: zo blijkt dat Blake niet alleen stond in zijn merkwaardige voorliefde voor 'gotische' kunst, en evenmin in zijn ideeën over een groots (maar volstrekt mythologisch) Brits verleden, waarin bijbelse en nationale geschiedenis zonder omhaal aan elkaar werden gebreid. Zelfs het visionaire karakter van zijn werk is minder uitzonderlijk dan het lijkt, als je het ziet tegen de achtergrond van het gistende spirituele leven in Londen, waar een andere visionair als Swedenborg in 1757 (het geboortejaar van Blake) zijn Nieuwe Kerk stichtte.

William Blake was niet alleen een opmerkelijk dubbeltalent, maar ook iemand die zijn talenten als graficus en als dichter op een volstrekt originele manier ontwikkelde en combineerde. Zo slaagde hij erin zijn werk door middel van een nieuwe etstechniek zelf in handgeschreven vorm te illustreren en te drukken. Maar zijn originaliteit was zijn noodlot: in zijn visionaire verbeelding was hij zo onnavolgbaar, dat zelfs zijn vrienden hem als lichtelijk getikt beschouwden.

Daarom bleven zijn 'illuminated books' tot lang na zijn dood onbekend. De schaarse exemplaren, door Blake en zijn vrouw eigenhandig gedrukt, ingekleurd en gebonden, belandden als curiosa in bezit van enkele verzamelaars, kennissen en vrienden. Pas aan het eind van de negentiende eeuw begon het tot een breder publiek door te dringen dat in 1827 een van de opmerkelijkste dichters uit de Engelse literatuur was gestorven.

Polemische geest

William Blake was een polemische geest, en daarbij zo ambitieus en compromisloos dat hij zelfs zijn vrienden van zich vervreemdde. 'Poor Blake', zoals ze hem onder elkaar vaak noemden, maakte er geen geheim van dat hij dagelijks met engelen en geesten sprak en visioenen had. Zijn carrière was een aaneenschakeling van tegenslagen en teleurstellingen. Al was hij wel gelukkig getrouwd en werd hij als vakbekwaam graveur zeer gewaardeerd: hij had zelden te klagen over een gebrek aan opdrachten. Maar juist dat stak hem: door collega-kunstenaars met minder talent maar meer succes (zoals John Flaxman) werd hij ingehuurd om hun ontwerpen uit te voeren, terwijl zijn eigen werk, als het niet werd weggelachen, toch nauwelijks serieus werd genomen.

Dat heeft alles te maken met het metafysische kader waarin hij dacht en werkte. Hij groeide op in een milieu van 'Dissenters' - radicale protestanten - en werd van jongsaf aan doordrenkt met de taal en de verhalen van de bijbel. Bovendien schijnt hij al op jonge leeftijd visionaire ervaringen te hebben gehad. Op Peckham Rye zag hij een boom 'vol engelen' en een andere keer vertelde hij zijn moeder opgewonden dat hij de profeet Ezechiël onder een boom had gezien. Maar met zulke verhalen hoefde hij thuis niet aan te komen: zijn moeder beloonde hem met een oorvijg en ook zijn vader beschouwde ze als leugens en dreigde hem ervoor te straffen.

Geholpen heeft die vaderlijke nuchterheid overigens niet. Integendeel: William heeft diens terechtwijzing als diep grievend ervaren, en het is tekenend voor zijn karakter dat weerstand en afwijzing hem altijd alleen maar koppiger en radicaler maakten. Zo ontwikkelde hij, in toenemend isolement, zijn eigen ideeën. Hij ontdekte Swedenborg, wiens gesprekken met engelen hij aanvankelijk als een bevestiging van zijn eigen visionaire ervaringen opvatte. Later verdrongen Paracelsus en Böhme de invloed van Swedenborg. En gaandeweg begon hij zijn eigen mythologie te creëren in lange dichten als Visions of the Daughters of Albion, The First Book of Urizen, The Book of Los, The Four Zoas en Jerusalem - een allegorische mythologie die zo bizar afstak tegen de heersende opvattingen van het beginnende industriële tijdperk dat niemand er raad mee wist.

Zijn vader, die een kousenwinkel dreef, deed hem al jong in de leer bij de graveur James Basire. Na afloop van die leerperiode mocht hij zelfs doorstuderen aan de Royal Academy, waar sir Joshua Reynolds (later een favoriet mikpunt van zijn hoon) de scepter zwaaide.

Maar zijn eigenzinnigheid en zijn ambities dreven zijn talent in een richting die haaks stond op de heersende modes. Als graficus verfoeide hij schilderachtigheid, de 'Blots & Blurs' van Titiaan, Rubens en Rembrandt, en zwoer bij de monumentaliteit en de spiritualiteit van de krachtige lijnvoering die hij bewonderde in Dürer en Michelangelo. En als dichter ontwikkelde hij, na zijn aanvankelijk lyrische gedichten (de Songs of Innocence en de Songs of Experience) een geheel eigen stijl in de 'profetische boeken'.

Als rechtgeaarde zoon van een middenstander, koos hij voor een solide ambachtelijke start: hij opende een printshop en kocht een eigen pers, in de hoop op den duur zijn eigen prenten te kunnen maken en verkopen. Maar hij kreeg zoveel opdrachten dat zijn eigen werk naar de marge werd gedrukt. En bovendien bleek er zo weinig belangstelling voor te bestaan, dat hij voor zijn levensonderhoud gedwongen was in opdracht te blijven werken.

Dat is zijn levenslange frustratie geweest: hij werd gewaardeerd om zijn vakmanschap als graveur, maar werd als scheppend kunstenaar door vrijwel niemand serieus genomen, en om zijn radicale ideeën gemeden. Voor zijn poëzie vond hij nooit een uitgever en afgezien van de Poetical sketches, zijn eerste gedichten, is er bij zijn leven nooit iets van hem in druk verschenen.

Middenstander

Geen kunstenaar leent zich beter voor het romantisch cliché van 'het miskende genie' dan Blake. Dat hij in zijn eigen tijd miskend was, is zeker. Maar was is een genie? Ackroyd breekt zich niet het hoofd over die kwestie. Hij probeert hem recht te doen zonder te overdrijven. Hij laat hem zien als een vakbekwaam en creatief ambachtsman die met zijn profetische ambities tussen wal en schip viel, en wel moest vallen. Want met al zijn visionaire gedrevenheid bleef hij voor zijn omgeving toch vooral een hardwerkende kleine middenstander, - zoals zijn grote voorbeeld Jacob Böhme een eenvoudige schoenlapper was.

Die discrepantie tussen een bescheiden sociale status en een grootse visie werkt kennelijk verblindend: mensen die zich intellectueel superieur achten, kunnen zich maar moeilijk voorstellen dat het werk van zo'n autodidact hun bevattingsvermogen te boven zou gaan. Dus werd hij in het gunstigste geval voor 'excentriek' en in het ongunstigste geval voor gek versleten.

Ackroyd laat zien dat de vrienden van Blake - invloedrijke figuren als Flaxman, Fuseli en Hayley - veel voor hem gedaan hebben, en met de beste bedoelingen. Maar hun onbegrip voor zijn eigen visionaire werk moest Blake wel frustreren. Hij was eerzuchtig, en dat voedde zijn achterdocht en zijn rancune. Zo schreef hij heimelijk vernietigende epigrammen op zijn weldoeners, maar bleef tegelijkertijd van hun diensten gebruik maken.

Het psychologisch portret dat Ackroyd schetst van deze man is overtuigend genoeg. Zijn eigenwijsheid, zijn werkdrift, zijn sociale betrokkenheid, zijn profetisch bewustzijn en zijn bijzondere band met zijn jong gestorven broer Robert - dat alles wordt met de nodige nuanceringen beschreven. Zo radicaal als hij was in zijn opvattingen, zo hulpeloos en angstig kon hij zijn als hij werkelijk in gevaar kwam. Toen hij in 1805, ten tijde van de Napoleontische oorlogen, na een onbenullig incident terecht moest staan op beschuldiging van opruiing (hij zou onder meer 'Damn the King!' hebben geroepen), aanvaardde hij dankbaar de rechtsbijstand die zijn 'geestelijke vijand' Hayley voor hem regelde.

Als biograaf heeft Ackroyd gedaan wat hij kon, en dat is heel wat. Hij gaat zich gelukkig ook niet te buiten aan psychoanalytische interpretaties, want daar worden in het werk geïnteresseerde lezers doorgaans niet wijzer van. Hooguit is het jammer dat het accent in zijn boek sterker ligt op de beeldend kunstenaar dan op de dichter Blake. Maar zijn poging om een paar aspecten van Blake's visionaire ideeënwereld te verklaren uit diens handwerk is boeiend. Hij brengt de symmetrieën, de spiegelingen, de omkeringen en de contrasten in zijn dichtwerk op een overtuigende manier in verband met het ambacht van de graveur. En toch - zo'n formele verklaring voegt uiteindelijk ook niet veel toe aan ons begrip van zijn werk.

Binnenstebuiten

Dat werk ontstond uit een wereldbeeld dat radicaal verschilt van alles wat wij, geschoold in een rationele en materialistische manier van denken, gewend zijn. Daarom geeft het zich niet zo gemakkelijk prijs. Maar Blake wist er vormen voor te vinden die een onmiskenbare poëtische kracht bezitten. En zo kun je toch gepakt worden door iets dat je, op de keeper beschouwd, eigenlijk nauwelijks begrijpt. Blake was een van die zeldzame kunstenaars die erin slagen de wereld op eigen kracht volledig binnenstebuiten te keren: hij legt een wereld bloot die duidelijk 'niet van deze wereld' is - maar daarom niet minder intrigerend.

“Every Eye Sees differently”, schreef hij, “As the Eye - Such the Object.” En dat demonstreert hij met zijn werk: zijn oog zag wat zijn verbeelding zag, en met die verbeelding leefde hij in een spirituele wereld van 'The Human Form Divine', zoals hij het noemde, en die hij als de enige werkelijke wereld beschouwde:

To see a World in a Grain of Sand And a Heaven in a Wild Flower Hold Infinity in the palm of your hand And Eternity in an hour. Voor Blake waren kunst en geloof identiek. Maar zijn geloof stond even ver af van het conventionele christendom als van het moderne ongeloof. Zijn revolutionaire hoon gold zowel christenen als moderne rationalisten. Jezus was voor hem 'Jesus the Imagination', zijn evangelie was dat van de verbeeldingskracht, van de goddelijkheid van de mens. Daar raak je aan de kern van zijn unieke poëtica en daarin moet de verklaring liggen voor de creatieve energie die Blake's oeuvre uitstraalt. Maar wat dat betreft ben ik van Ackroyds boek niet zoveel wijzer geworden. Hij had best iets uitvoeriger mogen zijn over de gnostische achtergronden van Blake's werk, over zijn lectuur en over de ontwikkeling van zijn ideeën.

Zijn rijk geïllustreerde biografie geeft inzicht in het leven van een man die zijn visioenen serieuzer nam dan de wereld waarin hij leefde. Een man die niettemin ook sociaal bewogen was, een aanhanger van de Franse Revolutie en een van de eerste critici van de industriële revolutie. Maar vooral een licht ontvlambare man, die in toenemend isolement aan zijn eigen visionaire revolutie bleef werken.

Dat zijn visioenen hem overleefd hebben is al merkwaardig genoeg, maar nog merkwaardiger is misschien dat de unieke stem die uit Blake's werk opklinkt met de tijd alleen maar meer weerklank lijkt te vinden: nooit is er meer over Blake gepubliceerd dan juist in de laatste halve eeuw.

Terecht constateert Ackroyd dat er een grote kloof gaapt tussen Blake en de andere romantici. Inderdaad: wie iets van Blake's werk wil begrijpen heeft meer aan Paracelsus en Böhme, of zelfs aan Jesaja en Ezechiël, dan aan Wordsworth en Byron.