In Durban zijn ze niet zachtzinnig

Boven de ingang van het Parade hotel in Durban hangt een bord met: 'No firearms, no lethal weapons'. De frêle, oude dame die in de lobby van het hotel zit zegt: “Un noir m'attaqué”. Een bloedvlek kleurt haar bovenkleding. Naast de gewonde zit ongeschonden maar ontdaan nog een oudere Française. De hotelier loopt handenwringend rond.

Binnen een paar minuten remt een auto voor het hotel. Een brede, blonde politieman komt bij de dame staan. Nog voor ze haar verhaal goed en wel kan vertellen arriveert een tweede, zwarte politieman. De jongeman die hij in een houdgreep bij zich heeft is ook zwart. “Was het deze jongen die u beroofde?” Dat weet de dame niet, maar het horloge met de gebroken polsband dat de politieman toont herkent ze wel. “Mijn horloge!”

De jongeman wordt geboeid afgevoerd, hij huilt. “Ik heb niets gedaan”, herhaalt hij op weg naar de arrestantenwagen. De politiemannen, inmiddels zijn er nog twee agenten bijgekomen, negeren hem. Rond de huilende jongen, de twee Françaises, de agenten en het ambulancepersoneel wordt de kring toeschouwers groter. De Franse dame is blij dat haar horloge weer terug is. Morgenochtend gaat ze met haar reisgezelschap verder. Tijd om een aanklacht tegen de straatrover in te dienen heeft ze niet. “Daarom moeten we deze knaap ook laten gaan”, zegt de eerste agent. “Maar eerst krijgt hij een afstraffing op het bureau.”

Vanuit de arrestantenwagen klinkt zacht gejammer. Volgens de agent omdat de arrestant bang is voor zijn vrienden in het kwaad. “Ze hebben gezien dat hij is opgepakt en wanneer wij hem onder handen nemen gaat hij namen noemen. Als hij weer op straat staat zullen zijn kameraden er achter proberen te komen wat hij heeft gezegd. En die jongens zijn niet zachtzinnig.”

Zachtzinnig is niet het begrip waarmee iemand de Zuidafrikaanse samenleving gauw zal willen omschrijven. Zuidafrika is het land van angst. 'Razor-wire' hangt in guirlandes van honderden kilometers over hekken en schuttingen. Bewakers patrouilleren voor flatgebouwen. En zelfs wanneer winkels zijn geopend is de toegang afgesloten met een traliehek. Pas na een belletje gaat het hek open.

“De laatste twee jaar is het steeds erger geworden”, zegt een drankhandelaar in Kaapstad. “De mensen hebben geen respect meer voor het gezag”. Met 'de mensen' bedoelt hij de zwarten. Voor de winkel zien we toevallig hoe twee zwarte kinderen van circa negen en twaalf jaar een grijze, zwarte man beroven. De man probeert de kinderen tevergeefs weg te jagen maar kan niet voorkomen dat een van hen een snelle greep doet in zijn winkelkarretje vol met plastiklappen. Een handvol muntjes valt op de grond. Tierend en machteloos zwaait de oude man met een stuk hout in de lucht.

Over een ding zijn alle blanken het eens, de criminaliteit mag onrustbarend zijn gestegen, voor de zwarten is het leven nog veel gevaarlijker. Niet alleen lopen zij een grotere kans om slachtoffer te worden van de 'kleine criminaliteit', al decennia lang kennen de inwoners in de townships de terreur van de tsotsi's, de midaadbendes.

Tom is onze zwarte gids door Clermont, een township bij Durban. Het bedrijf waarvoor hij werkt organiseert tochtjes voor toeristen door een van de krottenwijken die rond Durban liggen. Tom vertelt dat zijn werkgever de tsotsi's ongeveer duizend Rand (ongeveer vijfhonderd gulden) per maand protectiegeld betaalt. Dat neemt niet weg dat Tom voortdurend gespannen om zich heen kijkt. Halverwege onze armoede-safari komt een Toyota vrachtwagentje achter ons aanrijden. “Ze beschermen ons”, zegt Tom. Waartegen kan hij niet uitleggen, 'Just in case'.

Een van de beschermers is een zesentwintigjarige jongen. Klein, gespierd en, volgens de andere beschermer, 'crazy'. Door zijn kort geknipte haar schemeren talrijke littekens. Herinneringen aan stokgevechten legt hij uit. Hij doet voor hoe je met twee lange stokken, knobkerries, moet vechten, een om te pareren, de ander voor schijnbewegingen en slagen. Onze beschermer zegt dat hij ook graag zou willen laten zien hoe de Zulu's dansen, maar dat kan hij niet meer, want hij is in zijn been geschoten.

Op zijn rechter bovenbeen zijn vier ronde littekens te zien. Inschotwonden van 9 mm kogels. Hij toont de uitschot wonden aan de achterkant van zijn dijbeen. Een van de kogels is door zijn onderbeen gegaan. Op het scheenbeen ligt een verweerde lap getransplanteerde huid, in het midden glinstert vocht dat uit het kogelgat komt. “Hebben tsotsi's je beschoten?” “Nee”, zegt de jongen en rolt zijn broekspijp naar beneden. “Just someone.”

“Als we drinken”, legt de andere jongen uit, “gaan we altijd vechten”.

Tom: “Guns are not expensive”.

    • Hans Moll