In de Haarlemse hel; Montere roman van Louis Ferron

Louis Ferron: Een aap in de wolken. Uitg. de Bezige Bij, 189 blz. Prijs ƒ 34,50

Wat Den Haag is voor Willem Brakman, dat is Haarlem voor Louis Ferron: het domein van de jeugd, dat zij ieder op hun eigen manier trouw zijn gebleven, al was het maar als bron van inspiratie. Een soort speeltuin van de geest, waarin eigenlijk alles is toegestaan. Zoals veel Hagenaars amper iets zullen herkennen in het mythologische Den Haag van Brakman, zo zullen de Haarlemmers zich niet erg thuisvoelen in het onheilspellende oord dat Ferron van zijn vroegere en huidige woonplaats heeft gemaakt. Men kan hier gerust van een haat-liefde-verhouding spreken.

In zijn nieuwe roman, Een aap in de wolken, maakt hij het nog bonter dan in De Walsenkoning (1993). Haarlem is uitgegroeid tot een waar 'gehenna', synoniem voor hel, een woord dat meer dan eens valt. Je zou haast medelijden krijgen met de bewoners van zo'n poel van verderf, waar iedereen, als we Ferron mogen geloven, op zoek is naar 'pleisters tegen het stikken', vanwege de koolmonoxyde die uit het Spaarne opborrelt, waar overal de geur van 'ingekuild wasgoed' hangt, waar achterdocht de boventoon voert, waar op elke straathoek een ex-nazi loert, en waar subtiele, maar onoverbrugbare standsverschillen heersen tussen de Bomenbuurt, waar de hoofdpersoon van Een aap in de wolken is opgegroeid, en het iets nettere Bosch en Vaart-kwartier.

De hoofdpersoon heet Louis Ferron, net als in De Walsenkoning, en wederom lijkt er een 'duik in het autobiografische diepe' te zijn genomen, zonder dat alles waar gebeurd hoeft te zijn. Ook deze keer wordt het de lezer niet gemakkelijk gemaakt om sympathie op te vatten voor 'Loe', met zijn drankzucht, zijn voorliefde voor wals en operette, zijn onvermogen om lief te hebben en zijn artistieke aspiraties die hij zelf belachelijk maakt.

Niets of niemand wordt gespaard en dus ook niet de held of anti-held van deze 'niet zo vrolijke ballade van een monter ingezet kunstenaarschap', zoals de ondertitel luidt. Die zelfkritiek werkt relativerend en neemt iets weg van de grimmige, hier en daar ronduit afstotelijke aard van de roman. Voortdurend lijkt Ferron ons, bij monde van zijn alter ego, te willen inpeperen hoe bar en boos het leven is. Zijn tekenlessen spelen zich af in de 'hel van de middelmaat' bij de heer Boot, die fout was in de oorlog. Een tripje naar Parijs eindigt nog dezelfde avond in de goot. Zijn eerste baantjes kosten hem bijna zijn leven. Zijn eerste echte dienstbetrekking vervult hij bij een voormalige Untersturmführer. Hij wordt op de meest treurige wijze ingewijd in de liefde door een hospita, 'van wie de menstruatiegeuren onafgebroken door de gang dampten' en zijn eerste echte vrouw bedriegt hij al in de huwelijksnacht. Zijn beste vriend, ten slotte, is een smoezelige figuur, die stuitende uitspraken mag doen. Het is te erg allemaal, ook al zou er geen woord van gelogen zijn.

Ferron zingt hier zijn oude lied. Het zal nooit wat worden met het leven, maar, en dit is het broodnodige maar bij zoveel narigheid, we houden de moed erin. 'Vrolijk voort', zo houdt het personage Ferron, redacteur in ruste van de Kennemer Bode, zichzelf en zijn laatst overgebleven vriend, de hond Bertje, steeds voor. Met Bertje struint hij door Haarlem, op zoek naar een soort verzoening met zijn troebele verleden, nadat hij 's ochtends met zorg de bij zijn stemming passende sokken heeft uitgezocht. 'Voel ik me katterig, dan worden het Argyle of effen sokken. Schijnt het leven me toe te lachen in het vooruitzicht van een kater, dan Mickey Mousen, boertjes en boerinnetjes, vlinders, Campbell's soepblikken.' Het is een van de komische leidmotieven in dit boek, net als de monologen die hij afsteekt tegen zijn hond, die hij tot doctor in de zeven kunsten heeft uitgeroepen. Zelf beheerst hij, naar eigen zeggen, de achtste kunst - die van het overleven.

Ik zal niet zeggen dat dit tegendraadse optimisme alles goed maakt, maar een verzachtende factor is het wel. Het is deze even merkwaardige als halsstarrige vitaliteit die Een aap in de wolken af en toe even optilt uit het zompige moeras dat Haarlem wordt genoemd, maar dat staat voor het hele menselijke bestaan. De artistieke aspiraties van de hoofdpersoon behoeden hem voor een algeheel verval. En vooral is het zijn schrijverschap, afgedaan als iets onbeduidends, dat hem in leven houdt. Een 'aap in de wolken' noemt hij zichzelf, die zijns ondanks 'het blauw' is blijven zoeken, het licht in de duisternis, de frisse lucht boven de koolmonoxyde-dampen, een gat in een uitzichtloos verleden.

Dat geldt, naar ik aanneem, ook voor Ferron zelf, die natuurlijk niet het ene zwartgallige boek na het andere schrijft om alleen maar te laten zien hoe hij het leven haat. Zijn gevoel voor humor spreekt in elk geval een andere taal. Een levensgenieter zal hij wel nooit kunnen voortbrengen, maar met gepast plezier schiep hij een held op sokken.

    • Janet Luis