Hollandse meesters in Manhattan; New-Yorkse handelaren in 17de-eeuwse Nederlandse kunst

Een van de belangrijkste schilderijen die in maart op de kunstbeurs TEFAF in Maastricht worden aangeboden, een ovaal portret van Rembrandt, is afkomstig van de New-Yorkse kunsthandelaar Otto Naumann. Hij is een van de drie handelaren op Manhattan die gespecialiseerd zijn in Nederlandse kunst uit de Gouden Eeuw. Een reportage over de New-Yorkse tempeltjes waar erediensten voor de zeventiende eeuw worden gehouden.

Gallery Jack Kilgore, 154 East 71st Street, (212/650-1149). Gallery Otto Naumann, 22 East 80th Street, (212/734-4443), Gallery Lawrence Steigrad, 42 East 76th Street (212/517-3643). Bezoek telefonisch afspreken.

De Amerikaanse kunsthandelaar Jack Kilgore nam eens een kijkje in een magazijn bij veilinghuis Sotheby's en zag er een oud, vuil schilderij liggen. Hij raakte geïnteresseerd en wilde het wel kopen. Sotheby was al lang blij dat het doek een koper vond want opslag kost alleen maar geld. Kilgore, die zich specialiseert in zeventiende-eeuwse Nederlandse kunst, nam het dus voor een habbekrats mee. Na grondige restauratie kwam er een bijzonder waardevolle Abraham Bloemaert tevoorschijn - Allegorie van de Liefdadigheid (ca. 1590). Het schilderij heeft nu een ereplaats in het Museum of Art in Cleveland.

Kilgore is een van de drie Amerikaanse kunsthandelaren, allen gevestigd aan de New-Yorkse Upper East Side, die zich specialiseren in zeventiende-eeuwse Nederlandse meesters. Behalve Kilgore bewegen ook Otto Naumann en Lawrence Steigrad zich tussen de stillevens, de straatjes van de Gouden Eeuw, de landschappen met de wolkenluchten en de ijverige ambachtslieden. Hun met veel donker hout gelambrizeerde galeries zijn als tempeltjes waar erediensten voor de zeventiende eeuw plaatshebben. Waar anders dan in New York, dat zijn bestaan tenslotte te danken heeft aan Hollandse kooplieden.

Handelen in zeventiende-eeuwse kunst kan niet zonder liefde te voelen voor de werken. Kilgore, Naumann en Steigrad kunnen het niet laten bijzonderheden aan te wijzen in de schilderijen die bij hen aan de wand hangen. “Ik heb meer kunstwerken voor andere handelaren verkocht dan voor mezelf omdat ik iedereen gemakkelijk advies gaf,” zegt Naumann. “Nu zijn ze minder gediend van mijn adviezen. Ik sta altijd op het standpunt dat je in dit beroep niet hoeft te liegen, hoogstens wat vaker je mond houden.”

Ook Steigrad en zijn vrouw, Peggy Stone, zijn in de eerste plaats gefascineerd door de schilderijen en daarnaast handelen ze erin. Steigrad toont een schilderij, wellicht van Jacob Cuyp. Er is een jongen met een uitgestrekte linkerarm op te zien en een hond. Heeft de jongen net de staart tussen zijn vingers door laten glijden? Komt dat beeld vaker voor in afbeeldingen uit die tijd en zo ja, wat betekent dat? Steigrad heeft de RKD (Rijksdienst voor Kunsthistorische Documentatie) in Nederland ingeschakeld om er meer over uit te vinden want hij en zijn vrouw willen het zelf ook graag weten.

“Ik begon als verzamelaar,” zegt Kilgore, kunsthistoricus en handelaar. “Ik handel in werken waar ik van houd. Iets ontdekken, onderzoek doen en het schilderij in zijn oorspronkelijke staat terugbrengen - dat zijn de leuke dingen van het vak. Verkopen doe je eigenlijk alleen om achter het volgende schilderij aan te kunnen gaan.” De klanten van Naumann, Kilgore en Steigrad zijn musea en particulieren. Steigrad is nog wel bereid werkjes te zoeken van 10.000 dollar (ongeveer 16.000 gulden) of minder maar meestal gaat het om grotere bedragen - van 25 tot 50.000 dollar ongeveer. Kilgore noemt prijzen van 55.000 tot een miljoen dollar en de verhandelde schilderijen van Galerie Otto Naumann kosten van 25.000 tot 4,8 miljoen.

Naumann is naar eigen zeggen 'Mr Dutch Paintings' in New York, net zoals Johnny van Haaften dat volgens hem in Londen is. Naumann gaat naar beurzen, en ja, hij verkocht een Rembrandt aan het Rijksmuseum. Het Portret van Johannes Uyttenbogaert ging twee jaar geleden via hem voor tien miljoen dollar naar Amsterdam. “Ik heb nooit echt Europese cliënten gezocht maar ik merk dat de Europeanen nu wel meer in de VS verkopen dus misschien moeten wij ook daarheen.” Naumann gaat in maart naar de grote kunstbeurs TEFAF in Maastricht, onder meer met een Rembrandt-ovaal, en rekent voor dat een oversteek voor tien dagen met vol materieel hem in totaal honderdduizend dollar kost.

Beurzen

“Een goede klant van ons is de Universiteit van Arizona,” vertelt Steigrad. “Die hebben al drie werken van ons gekocht. Zij hebben een fonds voor kunstaankopen. Ik heb verder een reeks van kopers in Nederland maar ook Nederlanders hier. Het zijn vaak tevens goede vrienden geworden.” Steigrad gaat niet naar beurzen. Soms hangt er wel een werk van hem op een beurs, maar hij verkoopt in eigen huis genoeg. Bovendien is een werk dat op een beurs hangt lang weg en ontbreekt dan dus in de collectie die hij aan cliënten wil tonen. Jack Kilgore verkoopt vooral aan musea. Zijn eerste verkochte werk, een doek van Hans Speckaert, ging naar Boymans-Van Beuningen in Rotterdam. Verder heeft hij goede contacten met Amerikaanse musea. “Ik heb al een paar werken aan het Art Institute van Detroit verkocht,” vertelt Kilgore. “Ze zaten in financiële moeilijkheden zodat er zelfs mensen op straat kwamen te staan. Maar het budget voor kunstaankopen bleef onaangetast.”

Een droom van Kilgore is om nog eens iets aan het Rijksmuseum te verkopen. Hij weet dat ze alleen nog heel speciale aankopen doen omdat ze al veel van hoge kwaliteit hebben. Kilgore: “Kleinere Amerikaanse musea zouden al heel blij zijn met wat het Rijks in depot heeft.”

Naumann (47) werd als kind samen met zijn tweelingbroer geadopteerd door zijn Duitse vader en Italiaanse moeder, die in Hamburg woonden. Het gezin emigreerde naar de staat New York en daar kreeg Naumann zijn opleiding, een doctoraal aan Columbia University en een doctorsgraad aan Yale. Hij schreef zijn dissertatie over Frans van Mieris en doceerde vijf jaar aan de universiteit. Hij koos echter voor de kunsthandel toen de financiële druk op universiteiten te groot werd.

De moeder van Lawrence Steigrad (45) is Nederlands maar hij is in de VS geboren en getogen. Het gezin Steigrad vluchtte tijdens de Duitse bezetting via Portugal en Cuba. Om dat gedaan te krijgen moest worden betaald met een Rembrandt. “Mijn ouders zijn door de oorlog veel kwijtgeraakt,” zegt Steigrad. “Veel is verdwenen naar Duitsland en we hebben geen harde eigendomsbewijzen. Mijn broer is echter nog altijd bezig met oude foto's en zo.” Steigrad heeft goede herinneringen aan Nederland, waar hij als jongen elke zomer voor drie maanden heenging. Steigrad heeft wel kunstgeschiedenis gestudeerd maar de kunst is hem met de paplepel ingegoten omdat zijn grootouders veel bezaten.

Jack Kilgore (43) is de jongste van de drie en ook nog het kortst bezig in de kunsthandel. Hij is van huis uit advocaat en kwam in het krantebedrijf van zijn familie terecht. Hij was niet echt geïnteresseerd want zijn voorkeur ging uit naar kunst. Kilgore haalde dan ook een graad in de kunstgeschiedenis en ging bij het veilinghuis Christie's werken. Na een leerschool bij kunsthandelaar Richard Feigen begon hij drie jaar geleden voor zichzelf. “Het is een duur vak,” zegt Kilgore. “Je investeert in wat je verkoopt of je verkoopt om te investeren. In het begin had ik bijna niks te bieden. De kunst is om betere werken te hebben. Minder dan anderen maar toch beter. Ondertussen moet je een reputatie zien op te bouwen. Jammer genoeg is geld altijd belangrijk. Ik heb geen schulden maar je moet altijd oppassen.”

De crisis in de kunsthandel van enkele jaren geleden ging voorbij aan die in de oude kunst. Alleen Italiaanse meesters zijn volgens Kilgore tijdelijk in waarde gedaald. De oude meesters hebben over het algemeen een constante waarde en dat houdt de markt gezond. “Oude meesters zijn relatief goedkoop vergeleken met andere tijdperken, zoals het impressionisme en de moderne kunst,” vindt Steigrad. “De Hollanders zijn constant en zeer gewild.”

Steigrad houdt zich noodgedwongen bezig met het goedkopere segment van de markt. De concurrentie richt zich vaak op de duurdere, grote werken. Stone en hij kopen kleine werken en onbekende namen, zoals een jonge van Goyen, Joost Vinck en Anthony van de Kroes. “Particuliere cliënten willen soms werken onder de 10.000 dollar en daar gaan wij naar op zoek,” zegt Steigrad. “Het is voor ons ook een kwestie van wat we ons kunnen veroorloven. Wij hebben echt geen volle magazijnen.”

Veilingregulatie

De drie collega's kennen elkaar en werken soms samen, bijvoorbeeld bij het aankopen van grote projecten. Soms scouten ze ook voor elkaar op veilingen, hoewel dat de veilinghuizen niet erg zint. Die hebben liever dat de handelaren tegen elkaar opbieden. Er is dan ook altijd mot tussen de handelaren en de huizen. “De veilinghuizen gedragen zich steeds meer als handelaren,” zegt Kilgore. “Ze financieren, ze lijsten in en zijn bijna bij het gehele proces van inkoop-verkoop betrokken.” Naumann is helemaal anti-veilinghuis. Hij ageert en fulmineert tot zijn mede-directeur Rachel Kaminski zich met het gesprek bemoeit en hem vraagt of hij soms een proces aan zijn broek wil. Kaminski is voormalig hoofd oude meesters bij Christie's dus zij kent de veilingwereld. Naumann: “Volgens mij moeten de veilinghuizen worden gereguleerd. Ze kopen, lenen en verkopen dat het een aard heeft. Een veiling moet gewoon namens een cliënt een werk verkopen en meer niet.” Volgens Naumann gebeurt het wel dat veilinghuizen een enkele bieder laten opbieden tegen het vastgestelde minimumbedrag, doordat veilingmeesters doen alsof er ook nog iemand anders in de zaal meebiedt. Hij wil daarom bijvoorbeeld dat de geschatte waarde van het werk zwart op wit komt te staan en dat de veilinghuizen stoppen met kopen en lenen. “Veilinghuizen zijn een deel van onze realiteit,” zegt Kilgore. “We kopen allemaal op veilingen. Het voordeel van veilinghuizen is dat ze de markt vergroten. Beginnende verzamelaars worden enthousiast door een veiling maar als ze doorgaan komen ze daarna toch bij de kunsthandelaren terecht.”

Volgens alle drie de handelaren is de markt nog lang niet verzadigd. Het corpus zeventiende-eeuwse werken is in principe beperkt maar dat er op een dag geen levendige handel meer in zou zijn is volgens Steigrad ondenkbaar. “Ik ben in 1979 begonnen en elk jaar in januari zie ik Sotheby's en Christie's met schilderijen voor de dag komen die ik nog nooit heb gezien,” zegt hij. “Hetzelfde gebeurt aan de veilinghuizen in Europa. Ik sta altijd weer versteld van de enorme hoeveelheid doeken die er in de handel is. Dat zal wel altijd zo blijven.” Ook Kilgore denkt dat er in theorie wel een eindpunt is maar in de praktijk nooit. Er zijn volgens hem nog zo ontzaglijk veel oude schilderijen in Engeland en Frankrijk, grote afnemers in de zeventiende en achttiende eeuw. Bovendien weet je maar nooit wat je nog uit een veilinghuismagazijn vist. “Sommige handelaren willen liever niet aan musea verkopen omdat ze denken dat de werken een eindbestemming hebben en dat dan het verzadigingspunt dichterbij komt. Ik geloof daar niet in.”

    • Lucas Ligtenberg