Het riool op het toneel

De Duitse schrijver Gert Hofmann schreef verhalen over Casanova en Balzac in hun nadagen. “Hoewel ik bij de falende charme van de vrouwenverslinder Casanova aanvankelijk grinnikte van leedvermaak, is het uiteindelijke effect van het meedogenloze commentaar van de verteller dat je vervuld raakt van mededogen.” Rubriek over boeken die ten onrechte in de ramsj zijn geraakt.

Gert Hofmann: Casanova en de figurante. Twee novellen. Uitg. Veen. Verkrijgbaar bij De Slegte voor ƒ 5,95.

Twee jaar geleden kreeg ik voor het eerst een boek van de Duitse schrijver Gert Hofmann in handen, De filmverteller, gesitueerd in het overgangstijdperk tussen stomme en sprekende film. De hoofdfiguur, die zijn leven lang met artistiek elan de stomme film van commentaar en muziek heeft voorzien en zich kunstenaar waant, raakt langzaam uitgerangeerd. Tenslotte mag hij alleen nog op maandagavond, voor een sterk geslonken publiek, zijn kunsten vertonen. Zijn neergang wordt beschreven vanuit het perspectief van zijn kleinzoon, die onbevangen registreert in een ogenschijnlijk kinderlijk eenvoudige, subtiele stijl. De met fijne humor neergezette, deerniswekkende grootvader amuseerde en ontroerde me, en ik vroeg me af wie deze schrijver was.

Tot mijn vreugde stuitte ik in de ramsj op een ander boek van Hofmann, Casanova en de figurante, twee novellen. Ook hier blijkt het thema de neergang, het tanen van de roem en het radeloze, potsierlijke verzet daartegen van de betrokkene.

In het titelverhaal figureert de wegens zijn losbandigheid uit Venetië verbannen levenskunstenaar Casanova. Als een vagebond in een koets door Europa zwervend maakt hij vergeefs zijn opwachting bij invloedrijke personen, in de hoop dat zij de rechterlijke macht in Venetië zullen vermurwen hem te laten terugkeren naar zijn geboortestad. Van zijn faam, zijn fortuin, zijn onweerstaanbaarheid is niets over. De ladykiller is een vermoeide man van middelbare leeftijd met dun, grijzend haar, reuma in zijn knokkels, nog slechts in het bezit van twee jasjes die hij voor zweetvlekken behoedt door sponzen onder de oksels te dragen. In plaats van de feiten onder ogen te zien klampt hij zich wanhopig vast aan zijn oude imago: 'Zeg haar,' roept hij uit wanneer baronesse Memma weigert hem te ontvangen, 'dat ik interessant ben... dat mijn conversatie in heel Europa...' Tot zijn verbijstering ontmoet hij op een dag zijn moeder, die hij al dertig jaar dood waande. Ze blijkt niet alleen nog in leven maar ook nog een kritische oude dame die, in plaats van te zwelgen in vreugdetranen, hem op de man af vraagt: 'Giacomo, vertel me, wat heb jij van je leven gemaakt?' En wanneer hij het antwoord schuldig blijft concludeert ze: 'Dus ben je werkelijk de oppervlakkige en frivole kerel geworden, zoals de mensen mij zeggen en ik altijd gevreesd heb.' Maar hij heeft dichterlijk geleefd, werpt hij zwakjes tegen, 'zijn leven was een kunstwerk - hij had zijn fantasie niet op het papier gegoten, maar met zich het leven in genomen en uitgedragen.' Terug in zijn koets begint hij aan zijn memoires, eindelijk onder ogen ziend dat leven en kunst definitief gescheiden zijn. Hem rest niets anders dan met behulp van de kunst zijn leven te herscheppen. Zo zal hij zijn toekomst kunnen vullen met het herbeleven van zijn verleden. Tegelijkertijd geeft hij toe dat 'aan het eind van de afdaling, geheel kunstloos, de dood staat'.

Aan eenzelfde ontluisterende confrontatie met de werkelijkheid wordt Balzac blootgesteld in 'Gesprek over Balzacs paard'. De grote toneelschrijver zit, onzichtbaar voor het publiek, in de dichtersloge van het Théâtre Historique, voor de première van zijn laatste stuk. Hij heeft een zekere Brissot, net benoemd tot opzichter van het riool in Parijs, uitgenodigd hem simultaan verslag te doen van de reacties van het publiek. Want zogenaamd ligt hij thuis op sterven. Alleen wanneer zijn stuk een succes wordt, zal hij zich onverwacht vertonen in zijn loge. Aan het eind van zijn krachten, half blind en doof, vechtend tegen geestelijke aftakeling, speelt hij desperaat de rol van geïnspireerd toneelschrijver, ongebroken door ziekte, ouderdom, miskenning. Hij overschreeuwt zichzelf, kondigt zelfs aan dat hij een nieuw stuk gaat schrijven waarmee hij het publiek zal provoceren, omdat het in het riool speelt. Zoiets is nog nooit vertoond: het riool op het toneel. Brissot zal hem hierbij van advies moeten dienen. Tussendoor wordt deze de zaal ingestuurd om te kijken of het publiek al binnenstroomt. Maar de zaal is leeg, het toneel eveneens. 'Omdat de regen...' veronderstelt Balzac, 'alles keert zich plotseling tegen mij, ik zie dat haarscherp.' Voorzichtig brengt Brissot naar voren dat hijzelf ook voorstellingen geeft, druk bezocht door vooraanstaande, adellijke personen. In een kleine arena, in het diepst van het riool, laat hij elke avond een levend paard door ratten verscheuren. Het publiek is er gek op. Zo blijkt dat de miezerige, onbetekenende Brissot het met zijn huiveringwekkende spektakel wint van de kunstig verzonnen schijnwereld in Balzacs stukken. 'Er is niets dat de mensen zo stimuleert als de werkelijkheid,' zegt Brissot wijsneuzig. Tenslotte komt er toch nog wat publiek de zaal binnen, de première kan doorgang hebben. 'Welk een grote kunst', geeft Brissot toe. 'Maar ook: welk een gekunsteldheid - er wordt immers helemaal niet geleden, men doet alsof.' De arme Balzac, meer dood dan levend, capituleert voor de werkelijkheid wanneer hij, ondanks zichzelf nieuwsgierig geworden, behoedzaam informeert of hij niet ook eens zo'n voorstelling zou kunnen bijwonen.

Zo voert Hofmann twee historische figuren op in hun nadagen. Niet in staat te erkennen dat het doek gevallen is worden ze, tegenstribbelemd, ingehaald door het leven zelf. De kunst hoog verheven achtend boven de werkelijkheid, hebben ze uitsluitend in en voor de kunst geleefd, in een illusiore wereld waarin ze allang een cliché van zichzelf geworden zijn. De auteur grijpt de lezer meteen in zijn nekvel en plaatst hem middenin de handeling, waarbij verschillen van tijd, zeden, gewoonten, moeiteloos wegvallen. Hoewel ik bij de falende charme van de vrouwenverslinder Casanova aanvankelijk grinnikte van leedvermaak, is het uiteindelijke effect van het meedogenloze, geestige commentaar van de verteller dat je als lezer vervuld raakt van mededogen met de beproefde personages. Dit is de merkwaardige paradox die Hofmann bewerkstelligt - vraag me niet hoe.

Ik begon met: 'Tot mijn vreugde stuitte ik in de ramsj op...' Dit moet natuurlijk zijn: 'Tot mijn verdriet'. Want het is onterecht dat Hofmann, nog voordat hij heeft kunnen doordringen tot de Nederlandse lezer (die hem, voor zover ik weet, nauwelijks of niet kent) alweer wordt afgevoerd - een treuriger lot, in wezen, dan dat van de door hem beschreven beroemdheden.

    • Tessa de Loo