Gruttokuikens groeien beter op in het hoge gras van 'vliegende hectares'

Zeventig boeren in Friesland doen vrijwillig mee aan het proefproject 'vliegende hectares' om bepaalde delen van hun grasland later te maaien en minder intensief te bewerken. Doel is zo de weidevogelstand te verbeteren.

YPECOLSGA, 11 JAN. Boer D.J. de Vries uit Ypecolsga telde het afgelopen voorjaar twintig grutto-eieren, één broedsel van de kievit (vier eieren) en vier nesten van de scholekster op de tien hectare grasland die hij had aangemeld als 'vliegende hectare'.

De term 'vliegende hectare' is gekozen, omdat boeren percelen mogen aanbieden in een gebied van negenduizend hectare en in die zin niet beperkt worden. De veehouder heeft zich verplicht het uitgekozen stuk weiland gedurende vijf jaar later te bemaaien en zijn vee er later in het seizoen op te laten grazen. Pas na 10 juni namelijk en niet zoals gebruikelijk eind april, begin mei, als hij zijn overige percelen maait.

Een uitgestelde maaidatum moet leiden tot een verbetering van de weidevogelstand in Friesland. Met name de grutto heeft te lijden onder de intensieve bemaaiïng en beweiding. Door de lage grondwaterstand op weidegronden kan hij met zijn lange snavel moeilijk voedsel uit de droge, harde bodem peuteren. In het kort gemaaide gras vinden de gruttokuikens bovendien weinig bescherming. Ze worden veelvuldig overreden door de maaimachine en vertrapt door het grazende vee. De kans dat een gruttojong opgroeit is daardoor klein. De proef met de vliegende hectares moet het broedsucces verhogen. Dat lijkt te lukken. Het viel De Vries op hoe jonge grutto's beschutting zochten in het hoge gras op zijn niet-bemaaide land.

In opdracht van de provincie Friesland onderzoekt E. Wymenga de effecten op de weidevogelstand in de in totaal vierhonderd vliegende hectares. Het gebruik van het grasland is doorslaggevend voor het aantal weidevogels, zo maakte hij gisteren duidelijk bij de presentatie van het onderzoeksrapport. De grutto's kiezen de gebieden waar later wordt gemaaid uit als “vluchtheuvels” om hun kuikens te kunnen laten opgroeien. Hij verwacht dat de “kleurige (pinkster- en boterbloemen bloeien er veelvuldig) plukjes land” daardoor gunstig zullen werken op de gruttostand. “Het worden eilandjes van rust waar de gruttoparen heentrekken met hun jongen”, aldus Wymenga.

Uit het eerste onderzoek, dat in totaal vijf jaar zal duren, blijkt dat de weidevogels de vliegende hectares niet zozeer uitkiezen als legplaats voor hun broedsels. Ze blijken vooral nuttig in de 'kuikenfase'. Een voortijdige dood onder de maaimachine blijft de grutto-kuikens zo bespaard.

Het aantal broedsels van weidevogels wordt volgend jaar en in 1999 weer steekproefsgewijs gemeten op zowel het 'gewone grasland' als de 'fleanende hektaren'. Dat gebeurt in twee gebieden: bij Wommels (waar op 1.600 hectare zes percelen liggen waar de beheersovereenkomst geldt tussen boeren en provincie) en langs het Slotermeer in het vlakke Friese Merengebied. Wymenga trof er in totaal veertien weidevogels aan; naast de algemenere soorten als de grutto, de kievit en de scholekster kwamen ook de tureluur, de veldleeuwerik, de graspieper en de wilde eend voor. Van de watersnip en de zomertaling werden enkele broedparen geteld.

Gedeputeerde S. Heldoorn is tevreden over het aantal veehouders - zeventig - dat meedoet aan het proefproject. “Een score van tachtig procent is een goed resultaat.” Voor veel boeren is de financiële vergoeding aantrekkelijk. De Vries geeft onomwonden toe dat dit zijn motief was om het contract aan te gaan. Hij krijgt 960 gulden per hectare per jaar, wegens opbrengstderving (een minder grote opbrengst aan kuilvoer). “Ik heb te veel land en een bedrag van tienduizend gulden is niet gek.” Dacht hij. Na een jaar vindt de boer de vergoeding te mager. De Vries liet de Dienst Landbouw Voorlichting in Sneek een berekening maken van de voederwaarde van het ingekuilde gras, dat afkomstig was van het 'vliegende' stuk land. Daaruit bleek dat de kwaliteit van het voer lager was dan van gras afkomstig van het normaal bewerkte perceel. “Het bevatte minder eiwit, omdat het te lang is doorgegroeid. Ik kan dat ruwvoer niet aan mijn melkkoeien geven. Ze krijgen dan te weinig voedingsstoffen binnen en geven als gevolg daarvan weer minder melk”, aldus De Vries. Heldoorn zegt in een reactie dat de vergoedingen zijn gebaseerd op grond van gemiddelde bedrijfsvoeringen. “Als uit onderzoek zou blijken dat die landelijk te laag zijn, moeten ze worden aangepast”, vindt de gedeputeerde.