God regent en ik zal nat worden

Liefhebbers en vijanden van de filmregisseur Theo Angelopoulos weten, dat in zijn Griekenland de zon nooit schijnt. Regen of mist, modder en naakte bomen beheersen zijn scènes. Al enkele keren heb ik in Atheense kranten kunnen lezen: Angelopoulos was gisteren met zijn équipe in Florina, of Thessaloniki, maar hij kon niet filmen, het weer was te mooi.

Iets dergelijks was al veel eerder het geval in de Griekse liederen. Ook daarin bewolking en regen, neerslag en nog eens neerslag. In één lied is zelfs sprake van 'jarenlange regen'. Er zijn wel wat liederen over de zon (nooit het zonnetje, dit is één van de weinige woorden die in het Grieks geen verkleining kennen, anders dan bijvoorbeeld God die heel makkelijk Godje wordt), maar die gelden dan het soevereine hemellichaam als zodanig. Zowat nooit wordt ingegaan op de hitte die het toch maandenlang veroorzaakt en die voor Griekenland veel kenmerkender is dan de regen.

Ik ken welgeteld twee Griekse liederen op de hitte, en ze zijn op teksten van twee Nobel-prijswinnaars. Markópoulos maakte in Elytis' cyclus 'Zon de Eerste' een waarlijk zinderend lied op 'De dorsvloer van Margarita' en Moutsis schreef een prachtige hymne bij Sefèris' “En ook als de wind waait, brengt hij ons geen koelte, de schaduw der cypressen blijft smal”.

Maar verder overheerst het hemelwater, zowel in de rebètika als in de latere kunstliederen en lichte liedjes. “Het regent in de arme wijk, die te klein is voor onze zuchten”, aldus (verkort) één van Theodorakis' grootste zeïbèkiko's. 'Ons dronk de regen' heet het even mismoedig in Xarchákos' eveneens door Bithikotsis gezongen lied 'Onbarmhartig leven'. Daarentegen zong Aliki Vouyouklaki, Griekenlands eeuwige kindsterretje (nu in de zestig) in een lief liedje van Chatzidakis: “De wolk werd regen, de regen hagel, het hindert niet, 't leven droogt tranen”.

Deze zorgeloosheid vinden we wel vaker terug, ook bij Daláras die zingt dat zijn jasje zeiknat is geworden, maar het hindert niet, zolang ik jou heb. Meestal echter wordt de regen bejammerd, vooral in de talloze gevallen dat de man buiten wacht voor een gesloten deur: “Laat me toch binnen, God regent en ik zal nat worden”, smeekt de zanger Stamátis Kókkotas, waarbij moet worden opgemerkt dat de Grieken zich vaak zo uitdrukken. De regen heeft in dit land een dader.

In de wereld van de rebètika is Jorgos Mitsákis de schepper van zeer sfeervolle regenliederen. Verreweg de meeste teksten schreef hij zelf, zoals bij deze zeïbèkiko: “De nacht is koud/ en het regent een beetje/ en op de hoek tegenover/ licht het kroegje op/ en een dronkaard zonder geld/ zit buiten het zaakje/ in het lage portiek/ en is in gedachten./ Hij wil er ook in/ om met drinken te beginnen/ maar het kroegje is arm/ en geeft geen krediet”.

Nog zo een: “Ik steek mijn sigaret aan/ en de regen blust haar/ ik klop aan de deur die ik liefheb/ en zij opent niet./ In Piraeus is het bewolkt/ en in Athene regent het/ de één verloor z'n liefde/ de ander heeft liefde./ Ik zie de auto's voorbijgaan/ langs de grote weg/ en jij, ik weet hoe je lacht/ over mijn eigen pijn.”

Tussen haakjes: bij mijn weten het enige rebètiko waarin auto's voorkomen. Rijtuigjes des te meer. Ik zit steeds te wachten op de LP of CD die daarmee nog eens wordt gevuld. “Koetsier, zet er vaart in. Het regent en mijn prinses zou nat kunnen worden”.

Veel liederen beperken zich tot bewolking. Daaronder het allerberoemdste rebètiko, dat wel Griekenlands tweede volkslied is genoemd. Theodorakis ontdekte trouwens melodische parallellen tussen deze hymne en Tsitsanis' zeïbèkiko 'Bewolkte Zondag', die tijdens en na de Burgeroorlog van 1946-'49 zo aansloeg dat ze een verzoenende rol heeft gespeeld tussen links en rechts: 'Bewolkte zondag/ je lijkt op mijn hart/ dat altijd bewolking kent/ Christus en Maria./ Je bent een dag zoals die/ waarop ik mijn vreugde verloor/ bewolkte zondag/ je verwelkt mijn hart./ Als ik je zie, regenachtig/ kom ik geen moment tot rust/ je maakt me het leven zwart/ en ik zucht zwaar.'

Nog even iets over de winden. Vanzelfsprekend wordt de boriás, de koude Noorderwind, overvloedig bezongen en de zoele notiás uit het zuiden zowat niet. “Ik dacht dat er iemand aan de deur klopte, maar het was de boriás”. In de liederen over Thessaloniki komt steeds de ijzige Vardáris, de wind die van de rivier Vardar komt, aangeblazen. Maar het mooiste lied over kou dat ik ken, is geografisch logischer omdat het speelt in het Duitsland van de gastarbeiders. Het is uit Markopoulos' onvolprezen cyclus 'Emigranten', op tekst van Jorgos Kourtis, men zou het alleen al moeten aanschaffen om te horen hoe een bouzouki huilen kan: “Het was koud/ en we waren aan het werk/ ik, Kostas, Pablo en Rocco/ Het was koud en we waren aan het laden/ ik, Kostas en die Italiaan Rocco/ Het was koud/ en we waren aan het slopen/ ik en mijn vriend Rocco./ Het was koud/ en we vernikkelden/ ik en mijn hond die huilde om Rocco.”

    • Frans van Hasselt