Geldgebrek en gretigheid; Expositie over het begin van de Beat Generation

De opbouw van gelijkgestemden tot een generatie in de literatuur vergt tijd en overtuiging. Op een expositie in New York is te zien hoe het de Beat Generation verging. “Het decor van ateliers, hotelkamers, het meubilair, hun kleren, uit alles komt schaarste tevoorschijn.”

Whitney Museum, Madison Avenue at 76 street, New York. T/m 4 febr. Wo en vr t/m zo 11-18u, do 13-20u.

Er is een foto van Jack Kerouac, Allen Ginsburg en William Burroughs uit 1945, jongens, een beetje slordig, vrolijk en vooral met één vanzelfsprekende zekerheid: hier zijn we en ons kan niets gebeuren. Dat is geen arrogantie. Het is een onwankelbaar gegeven waarmee zolang er kiekjes worden gemaakt, jongens bij gelegenheid op de foto komen. Zo bestaan ze ook van de Vijftigers. Op het omslag van de eerste anthologie, de 5 tigers, staan de jongens van de Nederlandse revolutie, even monter. Beat was een woord zonder literaire betekenis, een vijftiger iemand die tegen de zestig liep. Misschien hebben de heren van de Generatie Nix ook wel zulke kiekjes. Laten ze er zuinig op zijn; je kunt nooit weten. Alles bewaren, brieven, schrijfmachines, schoolkrantjes, het eerste computertje: in 2045 kan dat allemaal van het grootste belang zijn.

Een winterse dag in 1945, Columbia University in New York. Toen wisten deze drie al dat ze iets radicaal anders zouden gaan doen, al vergde het tijd, ook voor zichzelf, om er achter te komen hoe dat zou uitpakken. In een brief aan Kerouac schrijft Ginsburg, al zes jaar later, dat hij hun beweging beschouwt als 'de kern van een volstrekt nieuw Amerikaans scheppend vermogen van historisch belang'. Er is een typische beweging ontstaan: ze onderhouden correspondenties, bespreken elkaars boeken, verdedigen elkaar en hoewel de aard van hun werk uiteenloopt, zijn ze er diep van overtuigd dat ze een bondgenootschap zijn.

De opbouw van gelijkgestemden tot een generatie in de literatuur vergt tijd en overtuiging. De uitdrukking Beat Generation is vastgelegd in de New York Times, in 1952. Pas elf jaar na de historische foto verschijnt Ginsbergs Howl, in 1957 komt Kerouac met On the road and Burroughs Naked Lunch is van 1959. De generatie is dan al in ruime mate tot instituut geworden; iedereen die met zijn tijd is meegegaan weet wat beat is en wat beatniks en hipsters zijn, al kan geen mens er een nauwkeurige definitie van geven. De geest ligt vast in een citaat, een dialoog uit On the Road: We moeten weg en we gaan verder tot we er zijn. Waar gaan we dan heen? Dat weet ik niet maar we moeten weg.

Beat Culture and the New America 1950-1965 heet de tentoonstelling op de derde verdieping van het Whitney Museum of American Art in New York: het vroegste begin, de zegetocht, de weerstand van de squares en de resultaten van de revolutie. Het is een historische, een meeslepende, een onderhoudende en soms tot ontroering stemmende tentoonstelling. Historisch omdat de Beat Generation scherpe sporen in de westerse cultuur van de afgelopen vijftig jaar heeft getrokken; wat de wetenschap van nu er ook van denkt, ze kan er niet omheen. Meeslepend is het geheel omdat het met kunstwerken, manuscripten, foto's, documenten, op zo'n manier is ingericht dat het zich tot een dramatische vertelling ontwikkelt. Zeer onderhoudend is het omdat de gewichtigheid minimaal is en voornamelijk tot de catalogus bepaald blijft. En ontroerend in de eenvoud die zich laat herkennen door wat afwezig is: de reclame, de veel later uitgevonden techniek om zichzelf tot het geweldige op te blazen, het acteren van het genie, alles wat nu in een ver gevorderd stadium van ontwikkeling hype wordt genoemd.

Voltooide tijd

In het begin van haar opkomst was de Beat Generation arm. Dat overheerst in de foto's. Het decor van ateliers, hotelkamers, café's, de wanden, het meubilair, hun kleren, uit alles komt schaarste tevoorschijn. In Amerika was in de oorlog aanmerkelijk meer te eten dan in Europa, maar toch hebben hun gezichten iets van wat ook hier het laatste oorlogsjaar en eerste vredesjaar verenigt: geldgebrek en gretigheid. Achteraf bezien de onherhaalbaarheid van die overgangstijd. Er bestaat een schilderij van Kerouac, gemaakt door Jean-Paul Goude in 1970, een paar maanden voor zijn dood. (Het is niet op deze tentoonstelling te zien). Daar zit hij, dik geworden, blikje bier, op blote voeten met zijn rug naar de televisie en een scheef hangende luxaflex. Het verhaal gaat dat Carolyn Cassady, die zijn vrouw is geweest, in tranen uitbarstte toen ze het zag. Verdriet natuurlijk om verval, maar misschien ook om wat geweest was, de volstrekt voltooide tijd.

De tentoonstelling is panoramisch in haar volledigheid. Weldra zijn in de Beat Generation literatuur en beeldende kunst verbonden. Kienholz is er met een paar van zijn meesterwerken; dan is er betrekkelijk veel van de in Nederland minder bekende Bruce Conner, het een en ander van Wallace Berman, Jane DeFeo, en nog meer dat ik niet ga opsommen; ik verenig het onder de noemer dat je in dit alles, hoe uiteenlopend ook, het tijdvak herkent.

Tot het panoramisch karakter hoort de rijkdom aan documenten, brieven, foto's, gelegenheidscollages en het manuscript van On the Road dat bestaat uit één rol telexpapier, zonder interlinie betypt - en volgens de overlevering ook zonder meer dan de noodzakelijke pauzes voor wat de instandhouding van het auteurslichaam eiste.

Historisch leerzaam is het deel van de tentoonstelling waarin het verzet uit de burgermaatschappij aan de orde komt. Lawrence Ferlinghetti, dichter, eigenaar van de City Light Bookstore in San Francisco en uitgever, staat terecht wegens het gebruik van onbetamelijke woorden; Lenny Bruce wordt enige tientallen keren gearresteerd en veroordeeld wegens hetzelfde delict maar dan begaan in zijn conferences. Het lid van het Huis van Afgevaardigden, George A. Dondero, maakt zich al op 16 augustus 1949 onsterfelijk door de nieuwe kunstenaars, met de kubisten, futuristen, dadaïsten, expressionisten en abstracten te ontmaskeren als handlangers van de communistische samenzwering.

Daarmee is ook de politieke context gegeven. Het ontstaan van de Beat Generation valt samen met de eerste periode van de Koude Oorlog, Korea en de opkomst van senator Joe McCarthy. Dan, in de jaren vijftig, begint in de Verenigde Staten ook het verzet tegen de rassenscheiding. Wat begonnen is als een nieuwe stroming in de literatuur krijgt een veel ruimer politiek-culturele omgeving.

Voor de grondleggers van de Beat Generation en hun generatiegenoten is de oorlog een breuk. Die wordt pas na een jaar of vijf zichtbaar, als de schrijvers zich met hun nieuwe literatuur beginnen te vestigen. Dan ontwikkelt zich de Koude Oorlog, de gevestigde orde wapent zich tegen het communisme, probeert zich in een oud conformisme te mobiliseren, en de botsing wordt onvermijdelijk. Vervolgens breken de fameuze jaren zestig aan. Alles wat in de Beat Generation al in beginsel aanwezig was, wordt dan geconsolideerd, gaandeweg algemeen aanvaardbaar en hoort ten slotte tot het gewone openbare leven. Geen serieuze en moderne politicus die zich nog de grote greep van kubisme tot communisme zal veroorloven.

De historische lijn gaat dan verder. Wat Beat was wordt 'commercieel interessant'. Howl was een oorlogsverklaring; je bent jong en je wilt wat, een geloofsartikel waarop een industrie is gevestigd en waarmee vermogens worden verdiend. Een verbeelding daarvan past natuurlijk niet in dit door de twee jaartallen begrensde panorama. Maar als je aan het einde van je wandeling langs de muren en de vitrines bent gekomen, en oud genoeg om een lichte melancholie te voelen, kun je die nog altijd bestrijden door te beseffen hoe het toen verder is gegaan.

Voor Nederlanders is deze tentoonstelling des te belangwekkender omdat er zoveel paralellen zijn met de Vijftigers. Een jaar of twee geleden hebben Tom Rooduijn en ik voor de VPRO-radio een reeks vraaggesprekken gemaakt, onder andere met de oprichters van Braak. Wat er tussen 1945 en ongeveer 1955 in Amerika gebeurde, drong toen nog niet zo onontkoombaar door als nu. Bij geruchte is te zwak uitgedrukt, maar op de voet volgen was het evenmin. De gesprekken met Lucebert, Gerrit Kouwenaar, Remco Campert, Rudy Kousbroek en Bert Schierbeek (Simon Vinkenoog is hors concours) hebben dezelfde teneur, de sfeer, en voorzover je bij gesprekken van een uiterlijk kunt spreken, ook dat. Uit de documenten van de Beat Generation en de Vijftigers komt het signalement van onafhankelijke verwantschap. In vrijheid met geldgebrek iets nieuws doen, onbezorgd en zonder twijfel.

Beat Culture and the New America is zeer Amerikaans. Daardoor zijn de overeenkomsten met het tijdvak in Nederland des te opvallender. Je kunt je hier, het liefst in de roemruchte omgeving van het Stedelijk Museum in Amsterdam, zo'n tentoonstelling voorstellen: een vergelijkende, en - hoe mooi het panorama in het Whitney Museum ook is - liefst een met een geschiedkundige lijn erin, die meer zal vertellen over de oorzaken en gevolgen. Of: hoe ten slotte uit de breuk van de oorlog de hype van de jaren negentig is ontstaan.