F. Philips geëerd voor hulp aan joden

DEN HAAG, 12 JAN. De Israelische ambassadeur Y. Gal heeft gisteren in Den Haag aan oud-Philips-directeur, dr. F.J. Philips, de Yad Vashem-onderscheiding uitgereikt voor diens hulp aan joodse werknemers tijdens de Tweede Wereldoorlog. De plechtigheid werd bijgewoond door voormalig Philips-topman W. Dekker en de burgemeester van Eindhoven, dr. R.W. Welschen.

Sinds 1953, toen het Yad Vashem-instituut in Jeruzalem werd opgericht, zijn bijna 4.000 Nederlanders onderscheiden voor hun hulp aan joden. Een joodse ex-werkneemster had Philips voor de onderscheiding voorgedragen. Na de Duitse inval werd Philips voorzitter van de oorlogsdirectie. In die functie probeerde hij de joodse werknemers bij zijn bedrijf te behoeden voor gedwongen ontslag of deportatie. Hij zette voor hen een aparte afdeling op, het Speciale Opdrachten Bureau (SOBU).

De Philipsfabrieken in Eindhoven leverden ook aan de Duitsers. Volgens dr. L. de Jong waren drie op de tien radiobuizen die naar Duitsland gingen, afkomstig uit Eindhoven. In december 1942 voerde het Fighter Command van de Royal Air Force om die reden een bomaanval uit op de Philipsfabrieken. De schade was zo groot dat de zaak onherstelbaar leek verwoest. De secretaris-generaal van handel en nijverheid, H.M. Hirschfeld, die naar Eindhoven was gekomen om poolshoogte te nemen, ontmoette daar een stralende directeur. Tegenover De Jong zei Hirschfeld: “Hij zei me: het is afgelopen! Ik zei: zeg dat in hemelsnaam niet hardop! Dan sturen ze meteen al je arbeiders naar Duitsland. Je moet zeggen: wanneer ik al mijn arbeiders hier mag houden, dan draait de zaak weer in zes maanden tijd.”

Bij nadere beschouwing bleek de schade aan de machinehallen gering en werd de produktie na enige maanden hervat. Begin 1943 vroegen de Duitsers of Philips een produktie-eenheid in het concentratiekamp Vught wilde opzetten. Ir. F. Philips weigerde dat. Na overleg met leden van de directie en vertegenwoordigers van de illegaliteit in Eindhoven besloot hij overstag te gaan, mits aan een aantal eisen werd voldaan. De werkplaats moest mede onder toezicht van Philips staan en het bedrijf zou de werknemers zelf mogen uitzoeken. Aldus geschiedde. Het Philips-Kommando telde na verloop van tijd 1.200 werknemers. De niet-joden onder hen waren vooralsnog gevrijwaard van het verrichten van dwangarbeid in Duitsland en de joden van deportatie.

Begin juni 1944 werden de bijna vijfhonderd joodse werkkrachten van Philips toch op transport gesteld, alsmede een aantal SOBU-kinderen. Zij werden rechtstreeks naar Auschwitz gedeporteerd. Daar bleek dat de Philips-directie had weten te bewerkstelligen dat zij door het bedrijf Telefunken werden overgenomen als Facharbeiter. Als eersten werden 250 Philips-vrouwen uit het kamp per trein naar Reichenbach vervoerd en in een fabriek van Telefunken te werk gesteld. Daarna volgden nog eens 100 vrouwen. De Philips-mannen werden uiteindelijk in een fabriek in Langenbielau tewerkgesteld. Bij een derde transport bleven, aldus De Jong, ongeveer vijftig oudere vrouwen, zieken en moeders van kinderen in Auschwitz achter waar zij werden vermoord. Van de bijna vijfhonderd mannen, vrouwen en kinderen die in juni 1944 op transport werden gesteld hebben, volgens gegevens van de Philips-groep, 382 de oorlog overleefd.