ERIC HEBBORN 1934-1996; De trotse vervalser

In zijn woonplaats Rome is woensdag de Britse meester-vervalser Eric Hebborn (1934) overleden. Hij werd 61 jaar oud. Hebborn maakte, naar eigen zeggen, zo'n duizend tekeningen naar stilistisch voorbeeld van vooraanstaande oude meesters als Pontormo, Mantegna, Piranesi, Poussin en Corot. Hij produceerde geen kopieën, maar werkte in de stijl van een bepaalde meester, ontleende elementen uit diens werk, varieerde op bekende thema's of produceerde een zogenaamde voorstudie, gebaseerd op een bestaand schilderij. Hij gebruikte eeuwenoud papier, vervaardigde zelf het destijds toegepaste tekenmateriaal, zoals krijt, inkt en houtskool, en na jaren lang in stilte via de officiële kunsthandel zijn werk te hebben verkocht, trad hij 1992 in de openbaarheid met zijn autobiografie Drawn to Trouble. Daarin laakte hij uitbundig de deskundigen voor hun gebrek aan deskundigheid, hun dédain voor toeschrijvingen van collega's, en hun verblinding door het 'aura' van een kunstwerk, van een naam, een stijl, van geld en kennis.

Al eerder, eind jaren zeventig, was Hebborn ontmaskerd als een virtuoos vervalser. Dat bleek uit het feit dat toen zowel de National Gallery in Washington als de Newyorkse Pierpont Morgan Library bladen van hem in huis hadden. Kort daarna werden nog 21 andere tekeningen van Tiepolo, Parmigianino, Van Dyck en anderen aan Hebborn toegeschreven. Ook het Institut Néerlandais in Parijs, beweerde Hebborn, kocht werk van zijn hand. Niemand daagde de maker voor de rechter, want de tekeningen waren niet gesigneerd en de reputatie van bekende experts stond op het spel. Nadien zouden nog zo'n vijfhonderd 'Hebborns' via experts hun weg naar privé- en museumcollecties vinden.

Hebborn had, na een armoedige jeugd, in Londen een academie-opleiding gevolgd. Als veelbelovend student aan de Royal Academy vielen hem al snel verschillende prijzen ten deel en tijdens een korte stage op de werkplaats van een Londense restaurator leerde hij schilderijen 'op te knappen' met een aardige bosschage hier en daar of met een verjongingskuur van een eerder geportretteerde vrouw. Samen met een vriend begon hij later een galerie; eerst in Londen, daarna in Rome en tenslotte in Tivoli, waar tussen derderangs oud spul zijn eigen 'oude meesters' rondslingerden.

Hebborn hield er in zijn praktijk strenge regels op na: nooit tekeningen verkopen aan iemand anders dan een erkend expert, nooit signeren, nooit aan iemand toeschrijven, tenzij dat al door een expert is gedaan, nooit een expert omkopen of diens toeschrijving in twijfel trekken en nooit beslissingen forceren. Hij meende als ambachtsman mèèr te zien dan een kunsthistoricus. De laatste wilde ook simpelweg bepaalde details niet zien, omdat 'een ware ontdekking' nu eenmaal zijn grootste geluk is, aldus Hebborn, die meestal even terloops 'het vermoeden' van een Tiepolo of Pontormo bij een deskundige ter sprake bracht.

Toen bleek dat ook gerenommeerde veilingshuizen als Christie's en Sotheby's deze nieuwe oude tekeningen hadden verhandeld, kochten ze begin jaren negentig geveilde Hebborns terug of ze probeerden de eigenaren op te sporen. Maar over de verblijfplaats van de meeste vervalsingen heeft Hebborn in zijn autobiografie gezwegen. Zijn wraak op de door hem geminachte kunsthistorische wereld leverde weliswaar geld op, maar niet zoveel als de winst die menig kunsthandelaar er later op zou maken, vertelde hij in interviews.