Een choquerend zwartgallige modernist; Bewonderende biografie van Djuna Barnes

Phillip Herring begon aan een biografie van de Amerikaanse moderniste Djuna Barnes omdat hij greep wilde krijgen op haar weerbarstige boeken. Tijdens zijn onderzoek liet hij zich meeslepen door haar onconventionele verschijning.

Phillip Herring: Djuna. Uitg. Viking, 386 blz. Prijs ƒ 67,- (geb.) De voorstelling Djuna's beurtzang, een coproduktie van Toneelgroep Amsterdam en De Blauwe Maandag Compagnie uit Vlaanderen, is nog t/m 27 jan. te zien in Gent, Antwerpen, Leuven en Brugge. Verder 27 aug. t/m 14 sept. in Amsterdam, Transformatorhuis/ Westergasfabriek. Inl. TGA: 020-6279070/ 5237800.

De schrijfster Djuna Barnes sleet de tweede helft van haar lange leven in een appartementje waar de kakkerlakken over de muren kropen. Dat leek haar weinig te deren, haar afkeer gold vooral mensen. Als die het waagden haar New-Yorkse flat binnen te dringen beledigde Miss Barnes hen net zo lang totdat ze verschrikt de benen namen. Zij teerde op de faam die de roman Nightwood haar bezorgd had, verschenen in 1936, toen Barnes 44 jaar oud was. Na Nightwood raakte ze zo hevig aan de drank dat ze haast niet meer kon werken.

Nog één boek schreef ze tussen 1936 en haar dood in 1982: The Antiphon, een tragedie in blanke verzen. Hoofdpersoon Miranda in The Antiphon, of Djuna's beurtzang, zoals de nu door Toneelgroep Amsterdam gespeelde versie van het drama heet, lijkt op de al wat oudere Djuna Barnes. Miranda, een actrice, heeft geen man, geen kinderen en geen behoorlijk inkomen. 'Aristocrate, artieste, armoedzaaister, bedelares, (-), viespeuk, zuiplap, vuurvreetster, vod!' bijt een van haar broers Miranda toe. De zakenman sist haar verhit in het oor: 'Zorg dat je wat te doen hebt - dweil!' Diep beledigd was Djuna Barnes door het voorstel van haar eigen broers om voor geld uit werken te gaan. Zagen zij dan niet dat hun zusje een genie was dat gekoesterd moest worden? Dat dit genie, hoe weinig produktief ook, goeddeels op de portemonnaie van anderen leefde, vond Barnes niet meer dan billijk.

De hoogmoedige, mensenhatende en dikwijls indolente Djuna Barnes van na 1936 is bepaald geen lichtend voorbeeld. Zij had, zo zag ze het zelf op lucide momenten, de pech stokoud te worden. Haar zelfmoordpogingen hadden niet het gewenste resultaat en Barnes moest lijdzaam toezien hoe tegelijkertijd met haar creativiteit ook haar schoonheid verlepte.

In haar jonge jaren moet ze een beauty geweest zijn. Roodbruin haar had ze en grijze ogen die nu eens spottend, dan weer droevig de wereld in keken. Intrigerende foto's van haar staan afgedrukt in de biografie Djuna van Phillip Herring. Herring, een literatuur-professor aan de Universiteit van Yale, blijkt meer gefascineerd door haar leven dan door haar werk. Hij bewondert haar onconventionele verschijning en laat zich meeslepen door de glamour die haar aan het eind van de jaren tien omgaf. Miss Barnes, die zich in een wapperende zwarte cape door Greenwich Village spoedde, schreef in die tijd reportages, columns en eigenhandig geïllustreerde verhalen voor Amerikaanse bladen als Harper's Weekly en McCall's. Vaak speelde ze zelf de hoofdrol in haar journalistieke verslagen. Ze liet zich redden door de New-Yorkse brandweer en liet zich ook een keer gedwongen voeden, zoals dat in Engeland met hongerstakende suffragettes gebeurde. Lef kan de jonge Barnes niet worden ontzegd.

Ook in de liefde nam ze risico's. De lijst met namen van degenen met wie ze voor korte of langere tijd een verhouding had is indrukwekkend. In zijn biografie Djuna gaat Herring na met welke personen Barnes wel eens de liefde bedreef en hij betoont zich een gentleman door daarbij uiterst discreet te werk te gaan. Hij houdt zich keurig aan de controleerbare feiten, opgediept uit brieven en dagboeken van Barnes en haar kennissen. Hoe Barnes' geliefden roken, hoe hun stemmen klonken en hoe de cafés eruitzagen waar zij hen ontmoette - naar dergelijke sensuele en plastische beelden zoeken we in Djuna tevergeefs.

Groupies

Maar wie geïnteresseerd is in een gedegen sociologische studie van de internationale bohème uit de eerste helft van deze eeuw hoeft niet te mopperen. Herring vertelt ons precies uit welk milieu de kunstenaars, would be-kunstenaars en kunstenaars-groupies komen die om Djuna heen hebben gefladderd, en zo kunnen we concluderen dat de meesten van hen dankzij hun afkomst zwommen in het geld. Peggy Guggenheim was bijvoorbeeld een van de bewonderaarsters van Barnes. Zij gaf haar financiële steun, ook al kreeg ze als dank alleen maar beledigende brieven.

In Parijs, waar Barnes begin jaren twintig neerstreek, ontmoette ze literaire kopstukken als James Joyce en T.S. Eliot. Zij hebben beslist een stempel op haar werk gedrukt: Barnes' obscure symbolen en associaties roepen de gedichten van Eliot in herinnering, terwijl haar personages met hun ook voor henzelf vaak duistere motieven een beetje op die van Joyce lijken. Maar veel behartenswaardigs over deze heren heeft Herring, die ook een biografie over James Joyce geschreven heeft, niet te melden.

Aardiger is het hoofdstuk over beeldend kunstenares Thelma Wood, Barnes' grote liefde, en over de weerslag van hun gepassioneerde maar destructieve relatie in Nightwood. Thelma heet in Nightwood Robin terwijl Djuna hier Nora is. Robin verlaat haar man en pasgeboren zoontje, trekt bij Nora in, hoereert 's nachts en laat op een dag Nora in de steek, die prompt half waanzinnig wordt van verdriet en woede. Robins volstrekte gebrek aan morele remmingen heeft iets onschuldigs, iets dierlijks. De autobiografische roman ('ik kan alleen over mezelf schrijven', zei Barnes ooit) choqueert nog steeds door zijn nietsontziende zwartgalligheid. We zijn ertoe gedoemd elkaar te kwetsen - dat is, in een notedop, de levensfilosofie van Djuna Barnes.

Waar komt haar chronische zwartkijkerij toch vandaan? Herring lijkt zichzelf die vraag niet te stellen, maar het antwoord vinden we na veel gezoek en gepuzzel in het hoofdstuk dat over Djuna's vader gaat. Wald Barnes predikte en praktizeerde een promiscuë levenswandel. Bij twee verschillende vrouwen had hij negen kinderen, en al die vrouwen en nakomelingen woonden samen met hem onder één dak. Bij wijze van inwijding in zijn religie van de vrije liefde verkrachtte Wald, of een goede vriend van hem op zijn voorstel, zijn dochter Djuna toen zij een jaar of zestien was. Herring stelt het niet zo cru, het is de schrijfster zelf die daar in haar literaire werk steeds op zinspeelt. In The Antiphon, haar meest autobiografische werk, verbeeldt een poppenhuis de ontucht in huize Barnes en licht Djuna een tipje van de sluier op. Tegelijkertijd verhult ze de harde waarheid weer, met bizarre metaforen en andere afleidende stijlexperimenten. Zo gaat dat in al haar boeken: steeds is er ooit met de vrouwelijke hoofdpersoon iets verschrikkelijks gebeurd waarover dringend gepraat moet worden. Maar dan niet in al te directe bewoordingen. Dat zou ondragelijk zijn.

Barnes' metaforische taalgebruik heeft soms grote poëtische kwaliteiten, maar het maakt haar proza er niet toegankelijker op. In zijn voorwoord bekent Herring dat hij na vier keer lezen nog steeds niets van haar meesterwerk Nightwood snapte. Pathetische en totaal onverhoedse exclamaties als 'O, Widow Lazarus! O lunatic humour of the moon! And Rack and Ruin, the dogs of the Vatican!' gingen zijn verstand te boven. Om toch greep te krijgen op het weerbarstige boek begon hij toen maar het leven van de auteur te bestuderen.

Na zijn studie over de modernist Joyce wilde hij zijn licht laten schijnen over de vrouwelijke en veel minder bekende modernist Barnes. En hij merkte dat haar persoon, en zeker de oudere Djuna Barnes, net zo moeilijk is als haar moeilijkste werk.