Denken met het oog; Franse particuliere kunstcollecties tentoongesteld

De kunstmarkt stortte in Frankrijk in de jaren tachtig in, maar de Franse musea bloeiden. Met enthousiasme werd zelfs gesproken over 'het Franse model'. Elfhonderd kunstwerken van 92 collectioneurs laten nu in het Parijse gemeentelijke Museum voor Moderne Kunst zien dat de Franse verzamelaar nog steeds meetelt.

Collections particulières d'art moderne et contemporain en France, Musée d'Art Moderne de la Ville de Paris, 11 Avenue du président Wilson, Parijs, (metro Iéna), tot 24 maart, di t/m vr 10-17.30u, za en zo 10-18.45u. Catalogus: Passions Privées, Uitg. Paris Musées, 390 francs.

Het begint onverwacht vertrouwd met een tuin in Auvers-sur-Oise van Vincent Van Gogh, door Parijs geëerd als proto-modernist. Dan volgen Cézanne, De Vlaminck, Van Dongen, Vuillard en Bonnard, drie Hollandse polders van Mondriaan, de eerste van vele Giacometti's, vier prachtige kleine vierhoeken van Pierre Tal Coat, twee lieve plakwerkjes van Kurt Schwitters, een blozende Jawlensky, een warm zeegezicht van Dufy (uit de collectie filmster Alain Delon). Veel moois dat zelden de huiskamer van de eigenaar verlaat.

Behagen is niet het eerste oogmerk van de tentoonstelling Passions Privées in het Parijse museum voor moderne kunst. Deze ambitieuze onderneming mikt hoger. Zevenduizend vierkante meter kunst uit particulier eigendom, bijna allemaal van deze eeuw - met een nadruk op de laatste dertig jaar - vergt meer dan mooi-vinden. Wie bij de aanblik van een stapel oude spullen van Christian Boltanski of een papier maché-pop van Kiki Smith een acute schoonheidsbeleving heeft, is ongetwijfeld welkom, maar het gaat om meer.

Suzanne Pagé, directrice van het Musée de l'Art Moderne de la Ville de Paris, heeft vooral de belangrijke rol van de particuliere verzamelaar van 'moderne en hedendaagse kunst' in Frankrijk willen illustreren. 'Aan het eind van de jaren '80', schrijft zij in de catalogus, 'was er een drievoudige crisis in de kunst: de markt was ingestort, er was een vertrouwenscrisis, en een gebrek aan ijkpunten. Aan de andere kant bloeiden de musea. Men jubelde over wat sommigen 'het Franse model' noemen.'

Het sinds 1961 bestaande Parijse gemeentelijke Museum voor Moderne Kunst heeft nu willen laten zien dat ondanks alles de particuliere verzamelaar nog steeds bestaat en meetelt. Sterker nog, Pagé hoopt een aantal misverstanden over deze 'mythische figuren' uit de weg te ruimen, en tegelijk 'het bangelijke imago' te corrigeren van de Franse hedendaagse kunst-wereld die 'opgesloten zit in conventies en vertrouwde clichés'.

Het is een heel programma dus, waarmee de bezoeker rekening heeft te houden bij het lopen langs drie verdiepingen met moderne kunst. Het knappe van de inrichting is dat tegelijkertijd een zekere chronologie wordt aangehouden èn de herkomst per collectie zichtbaar is gebleven, ook al leende de ene verzamelaar maar één geliefd werk uit, terwijl een ander er tientallen afstond.

Leuk

Blijft het door Suzanne Pagé aangestipte gebrek aan ijkpunten. In de zalen wordt geen poging gedaan tot uitleg of ordening door middel van teksten. De geïnteresseerde kijker moet zijn eigen waardensysteem ontwerpen. 'Mooi' heeft zijn betekenis al geruime tijd verloren. Ook 'leuk' biedt voorbij de Pop Art als criterium geen houvast meer, 'grappig' of 'verrassend' evenmin. 'Interessant' dan? 'Belangrijk' zeker: wie een beetje de spraakmakende gemeenschap heeft gevolgd, herkent heel wat namen.

Ook in Frankrijk hebben de verzamelaars van moderne kunst veel namen in huis gehaald die op de internationale top-tien staan. De Judds, Warhols, Chirico's, Fontana's en Rauschenbergs ontbreken niet. Maar er zijn ook duidelijke verschillen in het patroon. De Duitsers (Beuys, Kiefer, Baselitz, Lüpertz) zijn er kennelijk minder in trek, terwijl een aantal Franse namen boven het gemiddelde scoren (Fautrier, Michaux, Lavier, Raynaud, Degottex, Bettencourt).

Pagé en haar medewerkers reisden drie jaar Frankrijk af om bij ruim driehonderd Franse verzamelaars te kijken hoe zij hun visuele voorliefdes gestalte hebben gegeven. Zij kozen bij 92 eigenaren elfhonderd werken van vierhonderd kunstenaars om een beeld te geven van het gepassioneerd particulier verzamelen van 'moderne en hedendaagse kunst' in Frankrijk. Als haar selectie representatief is, dan blijkt dat de onderlinge beïnvloeding van overheids-kenners, handelaren, kunstenaars en particuliere verzamelaars groot is. Hoogstens zijn er accent-verschillen tussen openbare en particuliere collecties, en is bij de particulieren een aantal kunstenaars over-vertegenwoordigd: Picabia (13 werken), Max Ernst (45), Michaux (33), Fautrier (19), Dubuffet (51), Giacometti (16), om enkelen te noemen. De organisatie waagt zich niet aan een stellige verklaring voor dat verschijnsel: het kan duiden op een hang naar veilige smaak, of een weerslag zijn van investerings-verwachtingen, noteringen op de Franse kunst-beurs.

Zowel de organisatrice als de collectionneurs doen wat preuts over de financiële kant van het moderne kunst-circuit. Over geld wordt niet gesproken. De bruikleengevers die zich al wilden uitspreken in de catalogus (de meesten anoniem als bruikleengever met een nummer) zeggen vaak dat zij zich zelfs bij voorkeur 'liefhebber' en niet 'verzamelaar' noemen. Zij wijzen graag op een geval uit het begin van hun verzamel-loopbaan waarbij zij voor bijna niets vroeg werk van een kunstenaar oppikten, of kregen in ruil voor een mooie trui.

Rommelmarkt

De tentoonstelling Passions Privées heeft verhevener pretenties maar is ook als visuele sociologie van de rijkdom een evenement. Günther Sachs von Opel stelt vol verbazing vast dat sommige van zijn vroege aanwinsten in 25 jaar tijd duizend keer zo veel waard zijn geworden. Als je zijn lijstje uitgeleende werken overziet, dan staan er allemaal vertrouwde New Yorkse en Europese namen op. Zijn Warhols en Rauschenbergs zijn geen argeloze vondsten op de rommelmarkt, maar de toevallige ontdekking in het café heeft meer charme dan de welbewuste aankoop door een rijke.

Franse rijken lopen meestal niet te koop met hun vermogenspositie. Het Parijse museum respecteert die terughoudendheid vanzelfsprekend. Zeker met het oog op eventuele toekomstige donaties is optimaal begrip voor de hand liggend. Des te aardiger om de open etalage te zien van Claude Berri, de cineast die Frankrijk in 1993 ontroerde met de goed-socialistische mijnwerkersfilm Germinal. Hij heeft zijn Kleins, Flavins, Carl Andre's, Kounellissen, Twombly's, Naumans, Judds en LeWitts de laatste jaren gekocht, naar men mag aannemen tegen vorstelijke marktprijzen.

Beeldende kunst verzamelen is een kwestie van hartstocht, is de stelling van 'Particuliere Passies'. In de rijke catalogus komt dat iets meer tot uitdrukking dan op de zakelijke uitstalling van de elfhonderd gekozen objecten. Maar omdat het museum zich weinig analyse en commentaar heeft toegestaan, zijn we ook in het boek aangewezen op wat de verzamelaars erover loslaten. Voor de eigenaar van eigenzinnige kunst heeft verzamelen niet alleen de functie van gestalte geven aan zijn rijkdom. De rijke laat met zijn collectie ook zien wie hij is, of zou willen zijn. De nadruk op de passie heeft iets sympathiek onthechts maar ook iets vorstelijks. Weinig mensen kunnen uiting geven aan hun heftige opwellingen door voor een paar miljoen franken moderne kunst te kopen. Met rijkdom is niet per definitie iets mis. Doen alsof het geen rol speelt bij deze hyper-aangeprezen nieuwe kunst is een beetje hypocriet.

Wie deze forse en frisse tentoonstelling bezoekt hoeft zich daar overigens geen zorgen over te maken. Vooraanstaande Franse verzamelaars en hun adviseurs bieden de werken aan als hun visie op de kunst van deze eeuw. Dat is interessant genoeg. Guillaume Durand, zelf kunstenaar, maar bekender door zijn werk als tv-presentator, vertegenwoordigd in de catalogus met een werk van Francesco Clemente, zegt: 'Een verzamelaar is een verliefde die nadenkt met zijn oog'.

Niet bekend