Ambassadeurs uiten kritiek op snelle uitvoering herijking

DEN HAAG, 12 JAN. Kan het ministerie van buitenlandse zaken in een periode van 'zichzelf aangedane ontreddering' wel op de internationale winkel passen? Dat vroegen de Nederlandse ambassadeur in Bonn, Van Walsum, en een aantal andere belangrijke Nederlandse vertegenwoordigers in het buitenland deze week aan minister Van Mierlo (buitenlandse zaken) tijdens een speciale conferentie van ambassadeurs in Noordwijkerhout. De conferentie was gewijd aan de 'herijkingsnotitie' en de uitvoering daarvan op de departementen.

De herijking moet ervoor zorgen dat ministeries en hun vertegenwoordigers slagvaardiger de Nederlandse belangen in het buitenland verdedigen. Samenwerking met het ministerie van economische zaken is een van de belangrijkste onderdelen van het 'herijkte beleid'. Een onderraad van de ministerraad zal de coördinatie van de verschillende ministeries moeten verbeteren. Minister Van Mierlo is allereerst verantwoordelijk voor die coördinatie, zodat ministeries minder langs elkaar heenwerken bij buitenlands beleid.

Een aantal ambassadeurs waarschuwde mét Van Walsum voor de chaos die kan ontstaan bij het Nederlandse voorzitterschap van de EU in januari 1997 als koste wat kost de streefdatum van 1 september 1996 moet worden gehaald voor de samenvoeging van de landenbureaus. Ook de regiodirecties en de themabureaus op het ministerie moeten vanaf die datum beter samenwerken.

Van Mierlo probeerde de felle kritiek te sussen door te erkennen dat er risico's waren verbonden aan een snelle doorvoering van veranderingen op een moment dat Nederland zich opmaakt deel te nemen aan de trojka van de Europese Unie in september en vervolgens het voorzitterschap op zich zal nemen. Mocht het allemaal niet lukken, dan komen er aanpassingen, zo stelde Van Mierlo voor.

De ambassadeurs waren niet direct overtuigd. Minister Pronk (ontwikkelingssamenwerking) meende dat het 'politieke momentum' nu moet worden benut omdat 'gelijkgestemde' ministers hadden besloten tot veranderingen in de organisatie. Die politieke eenstemmigheid zou in de toekomst wel eens minder duidelijk kunnen zijn.

Van Walsum, die zich wegens afwezigheid in een vertrouwelijk memorandum tot de conferentie richtte, vroeg zich af of de coördinerende rol van de minister van buitenlandse zaken wel beter is gewaarborgd na de veranderingen. Ook zet hij zich af tegen de conclusie van de notitie over de uitvoering van de herijking, dat er op het ministerie een bedrijfscultuur zou heersen die nalaat samenhang, samenspel en slagkracht te bevorderen. “Het probleem is niet een teveel aan schotten, maar een tekort aan duidelijke lijnen”, aldus Van Walsum in zijn memorandum.