Radiolawaai van de aarde te horen tot voorbij Mars

Kan vanuit ruimteschepen de aanwezigheid van ontwikkeld leven op onze planeet worden aangetoond? Vanaf korte afstand is dat vrij gemakkelijk. Spionagesatellieten signaleren routinematig allerlei soorten 'onnatuurlijke' structuren en lichtpatronen op het verlichte en donkere aardoppervlak. Toen de Amerikaanse ruimtesonde Galileo (die nu om Jupiter draait) in december 1990 op korte afstand langs de aarde scheerde, detecteerde hij onnatuurlijk hoge concentraties zuurstof en enkele andere ruimtevaartuigen hebben ook merkwaardige radiostraling uit de richting van de aarde opgevangen.

De Amerikaanse ruimtesonde Wind heeft deze laatste blijk van de bewoning van de aarde nu gedetailleerder bestudeerd. De sonde, die op 1 november 1994 werd gelanceerd, is nu op weg naar een punt op 1,5 miljoen kilometer afstand van de aarde in de richting van de zon. In dit zogeheten Lagrangepunt houden de aantrekkingskrachten van aarde en zon elkaar in evenwicht, zodat de ruimtesonde daar met de aarde mee om de zon draait. Vanuit dit verre punt zal Wind onder andere metingen verrichten aan de zonnewind (de geladen deeltjes van de zon) en de interplanetaire elektrische en magnetische velden.

Eén van de detectoren van de ruimtesonde is gevoelig voor radiogolven uit het frequentiegebied tussen 1 en 14 MHz, waarin verscheidene kortegolfbanden liggen. De sonde, die nu ongeveer halverwege is, blijkt gemakkelijk de signalen van de aarde in deze golflengtebanden te kunnen opvangen: signalen die geen enkele natuurlijke bron zou kunnen voortbrengen. De sterkste signalen zijn afkomstig van het nachtelijke halfrond van de aarde, waneer de elektronendichtheid in de ionosfeer daar afneemt en er méér signalen van lagere frequenties naar de ruimte kunnen ontsnappen (Sky and Telescope 91, p. 12).

De ruimtesonde ontvangt op iedere golflengte een kakafonie van signalen. Volgens NASA-onderzoeker Michael L. Kaiser zou de ruimtesonde met zijn 15 meter lange antennes de radio-uitzendingen van de aarde kunnen ontvangen tot in het gebied van de planetoïdengordel: tussen de banen van Mars en Jupiter. Deze afstand is echter nog niets vergeleken met die welke wordt overbrugd door de radarzenders waarmee ballistische raketten moeten worden gedetecteerd. De signalen van deze zenders zijn nog te onderscheiden over afstanden van vele lichtjaren, dus in het gebied van de nabije sterren.

    • George Beekman