Pornografie valt niet te weren van de elektronische snelweg

De autoriteiten in de Duitse deelstaat Beieren willen de verspreiding van pornografie op computers aan banden leggen. Vrijwel onbegonnen werk, oordeelt Henri Beunders. Het ligt in de aard van dit nieuwe medium dat het zich heel moeilijk laat reguleren.

Er is een verhaal van Louis Borges waarin cartografen van een rijk een kaart maakten die zó gedetailleerd was, dat deze exact het hele rijk bedekte.

De Beierse officier van justitie die de elektronische informatiedienst CompuServe (dat zijn klanten tegen betaling op Internet aansluit) aanklaagde wegens verbreiding van kinderporno, heeft dit verhaal vast niet gelezen. Want een soortgelijke operatie is de logische consequentie van de poging om het wereldwijde computernetwerk te vrijwaren van pornografie.

Dat het Amerikaanse bedrijf CompuServe - Europese hoofdkwartier: Zuid-Duitsland - door de knieën ging en zo'n 200 pornografische 'nieuwsgroepen' op Internet sloot voor zijn abonnees, niet alleen in Duitsland maar wereldwijd, is haar goed recht. Het is een commerciële onderneming die een kosten-baten-analyse had gemaakt. Net zoals Gall & Gall dat deed toen het besloot de posters met die blonde Bavaria-sexbom niet op te hangen, omdat deze niet zouden sporen met de 'bourgondische' uitstraling van deze drankzaak.

Maar CompuServe kwam sneller terug op zijn besluit dan Gall & Gall. Immers, als je serieus genomen wilt worden als wereldwijde informatiedienst, is het uit concurrentie-oogpunt niet zo verstandig om nationale overheden, in dit geval 'provinciale' overheden, te laten bepalen wat je wel en niet mag doorgeven. Dat zagen ze bij CompuServe ook al snel in, zodat de Europese directeur A. Gray dinsdag meedeelde dat zijn bedrijf misschien naar de rechter stapt: “De rechter moet bepalen of iets illegaal is of niet”.

Als dat gebeurt zal die rechter daar niet zo blij mee zijn. Aangezien wetgevers, zoals zo vaak, als laatste doorhebben wat er in de wereld gebeurt, zal hij/zij zich niet kunnen baseren op wat voor wetgeving dan ook. Er is geen mondiale mediawet. En als deze rechter zich op nationale wetgeving wil baseren, zal hij/zij hopeloos verdwaald raken in het juridische vacuum/universum dat Internet is.

De rechter zal vragen moeten beantwoorden als: - Is Internet een soort krant (vrijheid van meningsuiting) of een soort omroep (allerhande regels)? - Kun je, zeg maar, de PTT aansprakelijk stellen voor wat mensen via de telefoon tegen elkaar zeggen? - Wat gebeurt er als ik, rechter, een verbod op (wereldwijde) elektronische kinderporno opleg, en morgen eist een officier van justitie in Teheran een verbod op alle afbeeldingen van vrouwen? En overmorgen eist China een verbod op alle 'schadelijke informatie'?

Natuurlijk, de regeringen kunnen de instroom van data controleren, zo lang zij de telefoonlijnen controleren. Dat zal in Iran, China, Frankrijk en nog wat landen, voorlopig nog zo blijven. Al zullen zij daartoe instellingen in het leven moeten roepen, waarbij het ministerie van de Waarheid uit George Orwell's 1984 tot de bezetting van de afdeling Debiteuren, Crediteuren verbleekt.

Want stel u voor. Alle telefoongesprekken in het land worden opgenomen op de band. Toch is dat zelfs is in het communistische Oostblok niet mogelijk gebleken. Daarom besloot men daar alleen de vertrouwde partijgenoten een telefoon te geven. De rest kon, zoals in de DDR, 23 jaar wachten op zo'n toestel, tenzij je dissident was. Dan kreeg je hem morgen, want dan kon de Stasi je onmiddellijk afluisteren. Zolang je het telefoonnet controleert, kun je een hoop doen.

Maar nu? In het Westen heeft iedereen een telefoon, en iedereen moet van de minister van economische zaken op de 'elektronische snelweg', de 'runner' van de economische groei in de volgende eeuw. Dus iedereen is Internet-gebruiker, en dus mogelijke porno-aanbieder. Dat is, lijkt me, het verschil tussen Internet en de vorige gevallen van nieuwe mediapaniek, vorige gevallen van moral panic en overheidsingrijpen.

Toen de radio populair werd onder amateurs, in de jaren twintig, en het woord 'ether-vervuiling' ontstond, greep de overheid in. Met succes, want er waren maar weinig amateurs en een strenge wetgeving deed de rest.

Dat was ook nog zo in de jaren zeventig, toen opnieuw (vooral provinciale) radio-piraten actief waren. Met de detector in de hand spoorde de marechaussee hen op in hun kippenhok, nam het spulletje in beslag en gaf een fikse boete.

Begin jaren tachtig was de remedie tegen de moral panic nog simpeler. Piraten straalden, na afloop van de reguliere programma's, in op de schotel van de kabelexploitanten, zodat de beelden automatisch bij de kabelkijker thuis kwamen.

Ik woonde toen vlak bij het Okura Hotel in Amsterdam, dat op zijn dak zo'n schotel torste. Ik werkte vaak 's nachts, en merkte plots op dat, zeg om half twee 's nachts, in talloze huizen aan de overkant nog een licht flikkerde. Ik zette de tv aan. Porno, keiharde porno.

Binnen korte tijd was het met die piraten gedaan. Waarom weet ik nog steeds niet (moral panic bij de elite?) In elk geval denk ik dat die porno-piraten de weg hebben geplaveid voor de video-recorder en de videotheek, als zij al niet de pushers waren voor die hele branche. Onderzoek naar deze correlatie ken ik helaas niet. Historisch onderzoek naar 'media & maatschappij' valt nog steeds tussen wal en schip.

Kan de overheid nu ingrijpen, zoals met radio-piraterij en piraten-tv-porno? Nee.

Ten eerste doordat de hele telecommunicatie-industrie is of wordt geprivatiseerd. Daardoor neemt de verantwoordelijkheid en de invloed van de overheid af als het gaat om wat er 'vervoerd' wordt.

Ten tweede door de Sprong Voorwaarts die, in tegenstelling tot Mao's totalitaire politieke poging, nu in technologische zin zonder enige overheidsbemoeienis tot stand komt.

Bij de radiopiraten van de jaren twintig en zeventig ging het om tientallen 'vandalen'. Nu kan iedereen met een telefoon, een computer en een modem niet alleen porno consumeren maar ook verspreiden. Als de wetgever dat voorschrijft, zullen de grote informatiediensten als CompuServe een erecode ontwikkelen, net zoals dat bij de Reclame Code Commissie het geval is, maar het elementaire verschil zit hem in de wilde plakker. Iedereen kan wilde plakker worden, ofwel 'aanbieder', overnight.

Het nadeel voor de aanbieders van pornografie blijft dat ze een digitaal spoor achterlaten, duidelijker dan de 'potloodventer' in het bos, of degene die vieze praatjes verkoopt op straat of via de telefoon. Aan de TU-Delft hield een netwerk-beheerder bij wie op de porno-netten inlogde. Na verloop van tijd kregen de 'gebruikers' plotsklaps geen opwindende plaatjes te zien, maar en hitparade van 'topscorers'. Dat is de communistische manier van opvoeding.

Als het er om gaat te voorkomen dat kinderen via Internet in aanraking komen met ontijdige seksuele informatie - waar de hele zaak om begon - is het nuttig om te weten dat niemand toevallig op 'onplezierige' porno-plaatjes kan stuiten. Daar moet je digitaal behoorlijk richtingsgevoel voor hebben. Bovendien is daar inmiddels allerlei contra-software (Kid-Care, SurfWatch) om enige beveiliging te bieden.

Maar dit soort skelet-achtige oplossingen - codeer elk te verzenden bericht volgens een voorgeschreven richtlijn en onderdruk met een speciale chip ongewenste berichten - zal slechts enige tevredenheid geven aan een officier van justitie in Beieren, en andere bezorgde ouders.

Al dit soort maatregelen zal de mens niet weerhouden van de totale, democratische, individuele communicatie waarop hij volgens de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens recht op heeft. Het is en blijft individuele communicatie.

Alles verandert, zodra het individu de straat op gaat, fysiek wordt, en zijn dromen, samen met anderen, in realiteit wil omzetten. Dan pas moeten we de politie roepen. verspreiden