Philip J. Idenburg (1901-1995)

Op 29 december overleed Philip Idenburg, 94 jaar oud. Hij heeft veel bijgedragen aan het onderwijsbeleid in Nederland. Niet alleen schreef hij belangrijke standaardwerken over het onderwijs en het onderwijsbeleid, jarenlang heeft hij opgeroepen tot een beter doordachte onderwijspolitiek.

Idenburg was een maatschappijwetenschapper die verschillende disciplines als sociologie, politicologie en economie geïntegreerd behandelde. Dertig jaar lang was hij Directeur-Generaal voor de Statistiek. Hij zette de eerste loopbaanstudies op (waarbij leerlingen gedurende hun hele loopbaan worden gevolgd) en verrichtte de eerste studies naar rendement. Tegelijk was hij hoogleraar onderwijskunde aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is ook voorzitter van de Raad voor de Kunst geweest.

Tot Idenburgs standaardwerken behoren Schets van het Nederlandse Schoolwezen (1960) en Theorie van het Onderwijsbeleid (1971). In de Schets benadrukt hij dat het onderwijs als één geheel moest worden bestudeerd ènbestuurd; destijds een noviteit. Het boek verscheen op een goed moment, juist toen in het voortgezet onderwijs een aantal schoolsoorten in één wettelijk kader werden ondergebracht: de 'mammoetwet'.

Vooral PvdA-minister Van Kemenade werd vertolker van de constructieve onderwijspolitiek die Idenburg bepleitte. Hij wilde het schoolwezen uitdrukkelijk inzetten om maatschappelijke doelen als gelijkheid en weerbaarheid te bevorderen. De befaamde middenschool en de 'open school' zijn in dat kader politiek ontworpen. De term constructief onderwijsbeleid is zelfs tijden lang synoniem geweest met goed onderwijsbeleid.

Idenburg heeft zich ontwikkeld vanuit een christelijk-historische achtergrond naar een sociaal-democratische gezindheid. Hij werd na de oorlog lid van de Partij van de Arbeid. Onder de eerste socialistische onderwijsminister Van der Leeuw was hij even directeur-generaal voor het onderwijs, maar KVP-minister Gielen gaf hem zijn congé. Vanuit met name zijn posities aan de Universiteit van Amsterdam bleef Idenburg het onderwijsbeleid volgen.

Hij ergerde zich aan het amateurisme waarmee het ministerie werd bestuurd, liever zag hij daar meer toekomstgerichte wetenschappelijk geschoolde ambtenaren. Dat klemde te meer omdat de sociale en economische betekenis van het onderwijs in de decennia na de oorlog sterk was toegenomen. Het zou tot aan het begin van de jaren zeventig duren voor dat zijn analyses en pleidooien in daden werden omgezet.