Moderne fokmethoden elimineren de variëteit

Een land vol vee. Landbouwhuisdieren van Nederland. Door Anno Fokkinga. Illustraties Marleen Felius. Uitg. Misset. 160 blz. Prijs ƒ 59,90. ISBN 90 543028 X.

Om de mijlpaal extra luister bij te zetten voerde de directeur van Varkens-KI Centraal Nederland een paar weken geleden eigenhandig de 600.000ste inseminatie van het jaar uit. Het Agrarisch Dagblad wijdde er een vrolijk kleurenfotootje aan. Het bedrijf van de familie Huirne te Groenlo was de gelukkige. Het betrokken varken onderging het gelaten en met afgewende snuit.

Een aantal van 600.000 mag duizelingwekkend heten, maar gegeven het feit dat Nederland rond veertien miljoen varkens telt, die in het halve jaar dat hun het leven beschoren is een gewicht moeten bereiken van 120 kilo, valt het wel weer mee. De omvang van de inseminatiepraktijk geeft in elk geval aan, dat er geen ruimte meer is voor een beetje biologische variatie.

Het 'geïndustrialiseerde varken' op de 22.000 bedrijven die de sector telt, is een eenheidsworst. Van 'stopcontact tot kurketrekker' zien ze er allemaal eender uit. Van oude varkensrassen is er in Nederland geen één meer over. Over de gehele wereld verspreid bestaan rond driehonderd verschillende varkensrassen. China kent de grootste verscheidenheid. “Veel rassen worden ernstig bedreigd in hun voortbestaan, omdat de varkensfokkers overal ter wereld overschakelen op dezelfde moderne en hoogproduktieve varkensrassen”, schrijft Anno Fokkinga in zijn juist verschenen boek 'Een land vol vee'. Groot-Brittannië, Frankrijk en Duitsland hebben nog oude varkensrassen. Maar varkens met steiloren, loboren of dwarsoren bestaan hier niet meer. “De oud-Hollandse varkensgenen zijn verkwanseld en voorgoed verloren.”

In 'Een land vol vee' zijn ze fraai en kleurrijk geconserveerd, zij het twee-dimensionaal. Het nageslacht kan ze dus niet meer in levenden lijve zien, maar nog wel opslaan wat hier vroeger allemaal in de grond wroette of in de wei liep.

De verarming in variëteit aan landbouwhuisdieren geldt niet alleen het varken. De moderne fokmethoden hebben ook bij andere landbouwhuisdieren geleid tot hoogproduktieve rassen, waardoor de oude rassen die daarvoor hun genetisch materiaal beschikbaar stelden nu met uitsterven worden bedreigd. Van de runderen zijn nog de Lakenvelder, de Groninger blaarkop, de Friese roodbonte en een paar zeldzame kleurslagen over. In de wei lopen echter vrijwel uitsluitend zwart- en roodbonte Holsteiners.

Er zijn redenen te over om die oude rassen in stand te houden, meenden de oprichters van de Stichting Zeldzame Huisdierrassen twintig jaar geleden. Omdat die oude rassen zo'n bonte verscheidenheid tonen, kunnen ze goed worden ingezet in landschappen, parken en recreatiegebieden. Maar belangrijker is de praktische betekenis. Die oude dieren vormen een reservoir van erfelijke eigenschappen, die nog wel eens van groot nut kunnen blijken te zijn. Nu immers is de praktijk, dat een stier als Sunny Boy vader is van tienduizenden, zo niet honderdduizenden nakomelingen, die na generaties wel eens een defect kunnen laten zien dat terug te voeren is op hun betovergrootvader. In dat geval zou het, ook economisch, van onschatbare betekenis kunnen zijn als kan worden omgezien naar een ander, nog bestaand ras, dat dit defect niet vertoont.

In 'Een land vol vee' biedt de Friese bioloog Fokkinga een verrukkelijk overzicht van rundvee, paarden, schapen, geiten, varkens, kippen, eenden en duiven, die door de eeuwen heen de boer een inkomen hebben geschonken. Een panorama dat niet alleen een kijk biedt op de agrarische kant van de zaak, maar in een ruime marge ook de rol van de dieren in schilderkunst en literatuur belicht.

Als we het vakblad Veeteelt moeten geloven, bewijst de auteur een groot deel van de bevolking een schone dienst. Uit een vorige maand gepresenteerd onderzoek dat Veeteelt liet doen, blijkt immers dat de Nederlander een landschap zonder koeien ondenkbaar acht. De koe wordt door 96 procent van het volk gekoesterd. Helaas maakt het onderzoek meteen ook duidelijk dat wij niet precies weten waar we het eigenlijk over hebben. De genetisch gemanipuleerde stier Herman wordt door een derde van de ondervraagden spontaan genoemd. “Herman heeft daarmee een enorme voorsprong op de fokstier die in de hele wereld de naam van Nederland als fokkerij-natie glans geeft: Sunny Boy. Slechts drie procent van de Nederlanders kent uit eigen beweging diens naam”, zo schreef Veeteelt. De interesse voor het laboratorium wint het dus ruim van de wei en dat ontneemt de uitslag van de enquête weer wat glans.

Want als de koe zo heilig is voor de Nederlander, zou wat meer kennis van zaken gewenst zijn. Die zou bovendien diepgravender moeten zijn dan de hysterie rond Herman doet vermoeden. Het is precies waar Vader Cats (1577-1660) in zijn dagen al voor pleitte: “Veracht ons Hollandt niet, wij hebben schoone koeyen”.

    • Bram Pols