Kernfusie

In NRC Handelsblad van 29 december pleitten de hoogleraren Braams en Schüller voor omvangrijke investeringen in kernfusie-onderzoek.

Hun pleidooi daarvoor is vooral ook opmerkelijk om wat er niet in stond. De eerste door hen verwaarloosde kwestie is dat de vorderingen van het fusieonderzoek, ondanks de miljarden die daarin zijn en worden gestopt, zeer tegenvallen. In 1952 verwachtten Amerikaanse fusieonderzoekers dat de eerste kernfusie tussen 1960 en 1965 operationeel zou zijn. In 1974 voorspelde de US Atomic Energy Agency dat de eerste commerciële fusiereactor er in 2000 zou staan. Thans kunnen we er vergif op innemen dat zulks niet het geval zal zijn. Veeleer wordt nu gezegd, dat de eerste commerciële fusiereactor er misschien in 2040 zal staan. Dat is te laat om een forse bijdrage te leveren aan de oplossing van de energie-gelieerde milieuproblemen die de komende eeuw de pan uit rijzen. Het tweede door Braams en Schüller genoemde punt betreft de materiële problemen verbonden met kernfusie. De thans overwogen ontwerpen voor kernfusiecentrales hebben twee grote materiële nadelen. Het eerste nadeel is dat ze flink radioactief zullen worden. Tweede nadeel is dat ze zullen leiden tot een snel verbruik van zeer schaarse metalen, waarna technisch gezien de bodem uit de kernfusiecentrales valt. Het derde door hen terzijde gelaten vraagstuk is dat een milieusparende energietoekomst leidt tot een gigantische investeringsvraag. Dit noodzaakt tot selectiviteit en pijnlijke keuzen ten aanzien van investeringen. Op basis van de huidige inzichten moeten de investeringskeuzen uitvallen in het voordeel van een verbeterde energie-efficiency en stromingsenergie en in het nadeel van kernfusie.

    • Prof.Dr. L. Reijnders
    • Stichting Natuur