Kampen baseert stadsrechten op een slonzig pakketje bij de post

Wanneer werd Kampen gesticht en wanneer kreeg het stadsrechten? Het staat geschreven in de 'Kroniek van Vloet'. Een vervalsing, naar nu blijkt.

KAMPEN, 11 JAN. Op een ochtend in 1974 leverde de postbode bij het Frans Walkate Archief in Kampen een slonzig pakketje af. De naam van de afzender ontbrak, maar de poststempel verried dat het uit Amsterdam afkomstig was. De inhoud van het pakje was opmerkelijk: een bruine zeventiende-eeuwse boekwand, twee boekjes met geschiedschrijving uit de achttiende eeuw, een pagina uit een liedboek, drie stukken beschreven perkament - een deel van de 'Kroniek van Vloet' - en twee warrige begeleidende brieven, waarvan de ondertekening niet is te ontcijferen.

Bij het prachtige Frans Walkate Archief, een verzameling van de SNS-bank, ligt het pakketje in de kluis. Directeur H. Harder (40) haalt het graag tevoorschijn. Hij toont de kroniek. “Ze is niet zo lang geleden geconserveerd en in zuurvrij papier verpakt”, zegt hij, terwijl hij de zware deur van de brandkast sluit. “Ze is een beetje presentabel gemaakt, omdat het duidelijk was dat het hier om een bijzonder document gaat. De kroniek meldt immers dat Kampen in 1194 door de Friezen is gesticht, dat het in 1228 stadsrechten kreeg en dat het in 1251 privileges ontving van koning Abel van Denemarken. En dat waren allemaal data die ontbraken in de geschiedschrijving van Kampen.”

Héél interessant dus, vond men in het Hanzestadje aan de IJssel. Maar er was ook meteen sprake van scepsis. “Die twee velletjes van de kroniek gaven zo veel antwoorden op hiaten in de Kamper historie, dat men zei: 'dit is te mooi om waar te zijn' ”, weet Harder nog. Een aantal onderzoeken volgde. “Het perkament bleek heel oud, uit de dertiende of vijftiende eeuw, maar is bij boekbinders nog voorhanden”, vervolgt Harder. “Dat zegt dus niet zo veel, hoewel er iets mis is met de mate van vervuiling.”

Het stuk doet voorkomen dat het in de dertiende eeuw is geschreven door ene Vloet, een schepen van Kampen die een van de directe nakomelingen was van de stichters van de stad. “Het is vreemd dat het in het klad is opgesteld”, meent Harder, “want dat gebeurde volgens de experts in die tijd nooit. Bovendien schreef de schrijver met Oostindische inkt, die in die eeuw niet werd gebruikt. Ook trof men in de tekst Friezismen aan, Friese woorden die pas eeuwen later in zwang raakten. Zo kon men door gaan: de letters werden inconsequent en verkeerd gebruikt. De e's en de st's bijvoorbeeld.”

Kampen zat met veel vragen die tot hevige discussies leidden. Toen Harder twee jaar geleden bij het Frans Walkate Archief in dienst trad, zag hij het als “een uitdaging” om eindelijk duidelijkheid te scheppen over de omstreden kroniek. Hij vormde een commissie met onder anderen de stadsarchivaris. Het gezelschap besloot eind vorig jaar de kroniek te laten onderzoeken door de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag. “De expert daar, mevrouw Peters, was er snel mee klaar. 'Dit is een vervalsing van de eerste orde', riep ze me op twee meter afstand al toe. Ze had heel veel geschriften gezien uit die tijd, zei ze, maar dit soort taal was ze nog nooit tegengekomen. 't Was gewoon een flutpapiertje. Wegwezen dacht ik, in de kluis ermee en er geen energie meer in steken.”

Harder zwijgt even en kijkt rond in zijn prachtige, statige werkruimte - de voormalige directiekamer van de bank - waar hoog aan de muur veertien schilderijen hangen van de Kampenaar Emiel Moulin. “Toch laat die kroniek me niet los”, vervolgt hij. “Er is al gesuggereerd dat Kampen wellicht nooit stadsrechten heeft gehad, maar dat is onzin. We hebben stadsrechten, dat blijkt uit alle documenten uit omliggende steden. Alleen missen wij de papieren. De kroniek houdt het op 1228. Wie weet is dat wel zo, want die vervalsing is toch niet zomaar op een zondagmiddag gemaakt, er heeft een groot specialist aan gewerkt. Wist ik maar wie dat pakket in 1974 naar ons heeft toegestuurd, dan was ik een stuk verder. Het enige wat mij bekend is, is dat hij de schoonzoon is van een Amsterdamse boekbinder, die destijds naar het bejaardenhuis moest. En dat hij vond dat de stukken kennelijk aan ons archief toebehoorden.”

Het aardige van dit verhaal is dat er nog zo veel “buitengewoon interessante dingen” onopgelost zijn, meent Harder, “ondanks het feit dat de kroniek niet authentiek is. “Is de vervalsing dertig jaar geleden gemaakt, of al in de vijftiende eeuw? Vanaf '74 hebben heel veel wetenschappers zich erover gebogen, maar geen mens durft zijn handtekening te zetten onder een steekhoudende verklaring. Niemand weet het, zelfs het Centraal Laboratorium niet.”

Boze tongen in Kampen beweren al twintig jaar lang dat de vervalser nog leeft. Het zou gaan om A. Fasel, een ex-archivaris van de gemeente, die De vlucht van de arend schreef, een roman gebaseerd op de 'Kroniek van Vloet'. De nu 65-jarige Fasel voldoet volgens Harder “helemaal aan de kwaliteit van de schrijver”. “Hij kent de geschiedenis van Kampen en hij beheerst het Fries en Vlaams dat in de begeleidende brieven van de onbekende afzender werd gebruikt. Bovendien kan hij goed tekenen - echt, hij had de kroniek kunnen schrijven. Maar hij heeft het altijd en in alle toonaarden ontkend.”