In Liefde Bloeyende

Kathedralen

Wij zijn kathedralen

vol duistere geuren

en duistere gangen

achter zware deuren

verborgen zalen

Van het beeldwerk hangen

versmolten spiralen

en treurige slangen

van kleurloze kralen

Daar zijn voelbare balen

verouderde stangen

verwaarloosde palen

Daar stijgen en dalen

verdwaalde gezangen

verdichte verhalen

van dood en verlangen

zichtbare gangen

geopende zalen

en zonlicht

Leo Vroman (geb. 1915)

Wij zijn kathedralen... Tot u spreken de bouwwerken die een mens zich - of ze nu met een of velen zijn - nauwelijks zonder pluralis majestatis zou kunnen voorstellen. Het is ook een wij dat ons toeroept dat de dichter hier in de huid van de kathedralen is gekropen. De dichter gaat ons thans uit de eerste hand en van binnenuit schetsen wat het betekent om kathedraal te zijn.

Wie een kathedraal een gedicht lang sprekend invoert identificeert zich, zolang het gedicht duurt, als dichter met de kathedraal.

Hoe voelt het aan, het kathedraalschap? In enkele etappes, gemarkeerd door een hoofdletter, schetst de dichter alias kathedraal ons zijn zelfportret.

Het is er duister, zwaar en geheimzinnig. Die sfeer kenmerkt ook de objecten in de kathedraal: ze hangen en versmelten, de spiralen en slangen. Ze zijn kleurloos, de kralen. Ze zijn verouderd en verwaarloosd, de stangen en palen. Bovendien zijn er ook nog de voelbare balen, een voor kathedralen eigenaardig interieur-onderdeel - maar ze zorgen in ieder geval voor een verhoging van de mysterieuze sfeer en tegelijkertijd voor een benadrukking van de tastbaarheid. Het spinneweb, het labyrint, het is er, fysiek. Het gaat niet om een hersenspinsel, het gaat om iets lichamelijks. De kathedraal van het gedicht lijkt als twee druppels water op een ruïne of een kerker van Piranesi. Een tot leven gewekte droom, van detail tot detail.

Na de stilte is er het geluid. Verdwaalde gezangen, verdichte verhalen. Het geluid van de poëzie. Naast de versmelting en het labyrintische is er de ruimte. Zichtbare gangen. Geopende zalen

en zonlicht

Verblindend. Een donderslag. Een bliksemschicht. Orgeltoon. Er is een duistere geur en een spiralende treurigheid en een voelbare veroudering en hijgende palen en verwaarloosde gezangen en geopende zalen

en zonlicht

Licht aan het eind van de tunnel. De duistere gangen en verborgen zalen uit regel drie en vijf zijn uitgemond in de zichtbare gangen en geopende zalen van de voorlaatste regels, en alles explodeert in licht. Twee rijmwoorden maar zijn er in dit gedicht, het is een kathedralenbouw met gangen, hangen, stangen, verlangen enerzijds en zalen, kralen, halen anderzijds: alleen dat verdomde zonlicht rijmt nergens op.

Het enkelvoudige, allesverterende licht is de eindbestemming, het doel van het verlangen, een verlangen dat hier in één adem wordt genoemd met de dood. Dood en verlangen, let op de volgorde.

Het is bewust antiquiserend, dit gedicht. Het roept ouderdom en oudheid op. Het lijkt haast negentiende-eeuws, met zijn repetitieve structuur, het 'stijgen en dalen' en de verticaliteit die een kathedraal nabootsen zoals Jacob van Lennep in Hoe loopt de Dusse langs het hol van Neander? een rivier (en andermans gedicht) nabootste

Hier ziet men het water Met schaterend geklater Al golvend verschijnen en zo knagend en jagend en plagend en klagend verder. Maar dat soort gedichten had iets schools, terwijl het bij Vroman lijkt of hij achteloos improviseert, baldadige rijmen tussenvoegend als 'voelbare balen', om tenslotte met meer geluk dan wijsheid in een mooi slotakkoord op z'n pootjes terecht te komen.

't Mag zo lijken, maar het is in werkelijkheid bewust raffinement. Het gaat hier om een laat-twintigste-eeuwse kathedraal, een kathedraal die een andere bestemming lijkt te hebben gekregen die van een meubeltoonzaal of een rommelmarkt.

Zoals ook een oud lichaam een voddenbaal wordt. Vergeet niet dat hier een mens zich met een kathedraal identificeerde. Het gedicht is afkomstig uit de bundel De godganselijke nacht, verschenen in 1993, in Vromans achtenzeventigste levensjaar. Wij zijn kathedralen, zegt hij, wij oude mannen. Zo duister geurend en verwaarloosd is nu ons lichaam. Maar nog steeds stijgen en dalen in het eens majesteitelijke bouwwerk van ons leven de gezangen en verhalen. Poëzie. Het zingen van de dood. We zijn bijna de tunnel door. Het pad ligt duidelijk zichtbaar voor ons. De deur staat open. Er gebeurt aanstonds iets overdonderends. Er is licht.

    • Gerrit Komrij