Honger

Honger, onstilbare honger heerst er in Nederland en de rest van het rijke Westen. Niet naar tomaten of varkenspootjes, maar naar bandbreedte. Bandbreedte is niets anders dan vervoerscapaciteit: het aantal eenheden dat een stukje infrastructuur per tijdseenheid kan verwerken. Bij een autoweg is de bandbreedte vooral het aantal rijstroken. Bij de spoorwegen hangt de bandbreedte behalve van het aantal sporen vooral sterk af van hoe slim de dienstregeling in elkaar zit, zoals je regelmatig op allerlei perrons kunt zien.

Bij de verzending van elektronische informatie bepaalt de capaciteit van kabels, knooppunten en communicatiesatellieten de bandbreedte. De behoefte aan bandbreedte groeit onstuitbaar: steeds meer mensen en goederen reizen steeds vaker naar steeds verder weg gelegen plaatsen. Luchthavens dijen uit, wegen worden verbreed en soms in wanhoop tot op de vluchtstrook benut. Maar het valt dan ook niet mee om voldoende capaciteit voor het verplaatsen van tastbare zaken en mensen te maken: op het land zit je vast aan dure, moeizaam aan te leggen wegen of spoorlijnen. In de lucht en op het water hoef je weliswaar geen wegen of rails aan te leggen, maar daar is weer een kostbare en uitgekiende afbakening essentieel, van loodsen en vuurtorens tot kustradarsystemen en navigatiesatellieten. Doe je dat niet, dan kun je zelfs over een complete zee zonder ongelukken maar heel weinig verkeer sturen. Een onbebakende zee en een ongeregeld luchtruim hebben in al hun uitgestrektheid maar een betrekkelijk kleine bandbreedte!

Jammer genoeg is het met het transport van informatie, van telefoon en radio- en televisiesignalen tot computergegevens, al niet veel beter gesteld. Stukjes informatie worden vervoerd in de vorm van elektrische stroompjes, lichtpulsjes of trillingen, maar ook daarbij gelden allerlei beperkingen. Stroompjes en lichtpulsjes, ofwel elektronen en fotonen, reizen moeiteloos door elk prettig geleidend materiaal, maar moeten strak in de hand gehouden worden, anders stuiven ze naar alle kanten weg, voor eeuwig verloren. Ze moeten dus opgesloten worden in het dwangbuis van dure kabels, strikt geïsoleerd van de omgeving. Elektromagnetische trillingen, zoals radiogolven, lijken ideaal. Ze reizen vrij door de ether en vervagen minder makkelijk dan stroom of licht. Maar dat is schijn: ook elektromagnetische signalen moeten uit elkaar gehouden worden, elk op een eigen frequentie, anders blijft er alleen een ratjetoe van geknetter over.

Helaas kent de ether zijn spookrijders, zoals radiopiraten en buurmannen met niet-ontstoorde klopboormachines, die ongestoorde ontvangst onzeker maken. En er zijn meer nadelen: met de afstand tot de bron neemt de kracht van het signaal in principe af en knabbelen er meer storingsbronnen aan de kwaliteit. Gebouwen en bergen kunnen onneembare hindernissen vormen. Vandaar dat televisiekijkend Nederland vanaf de jaren zestig naar analogie van het aloude telefoonnet werd bekabeld: voortaan bleven we verschoond van storing, en had je overal een even sterk, identiek signaal.

Dat bekabelen kwam neer op het verlengen van het snoer tussen de TV en de antenne, eerst naar een centrale antenne-inrichting om de hoek, later naar nog verder weg gelegen ontvanginrichtingen. De kabels waren veredelde TV-snoeren: koperen coaxkabels. Voor simpele radio- en televisieontvangst is dat prima, maar inmiddels zijn we daarmee allang niet meer tevreden. Als er één goed is waarvoor de behoefte aan bandbreedte explodeert, dan is het wel informatie. We willen internet via de kabel, en home-shopping en beeldtelefonie, wereldwijde bedrijfsnetwerken en nog honderdduizend dingen meer die niet alleen het verplaatsen van enorme hoeveelheden informatie vereisen, maar ook nog twee-richtingsverkeer. Kortom, we willen heel letterlijk een electronische snelweg met ontzettend veel stroken, en daarvoor zijn die ouderwetse coaxkabels niet geschikt.

Glasvezelkabel is voorlopig de oplossing. Plek zat in zo'n ding, terwijl hij toch niet dikker is dan een doodgewone coaxkabel. De nieuwere stukken van het kabelnet bestaan al uit glasvezel, maar lang niet alles. Het kabelnet is daardoor een lappendeken van stukken snelweg, afgewisseld met klinkerpaadjes. Willen we er echt wat aan hebben, dan moet het koper verdwijnen. Maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Om het bestaande net te vervangen, moet half Nederland weer op de schop, met alle kosten en overlast van dien. Leg je een nieuw net naast het bestaande, dan komen er nog meer extra kosten bij, in de vorm van dubbel precariorecht: het geld dat de kabelmaatschappij aan de overheden betaald in ruil voor de gunst om kabels in openbare grond te leggen.

Het Nederlandse bedrijf Cable Exchange heeft daar wat op gevonden, op basis van een idee van ene Einar Edvardson, een Noorse ingenieur: je laat de kabels liggen waar ze liggen, trekt er de oude koperkern uit, en duwt een glasvezelkern door de lege isolatie. Het werkt door eerst een smeltsonde die om de koperkern past met een duwveer door de kabel te sturen. Die sonde, die verhit wordt door een spanning over de duwveer en de koperkern van de coaxkabel te zetten, smelt binnenin de kabel de kunststofringen weg die om de drie centimeter de koperdraad op zijn plaats houden. Is de sonde erdoor, dan ligt de koperdraad los in het omhulsel. Vervolgens bind je aan het ene eind van de koperdraad een glasvezelkern vast, en trek je vanaf het andere eind van de kabel de koperdraad eruit en de glasvezelbundel erin. Elke huisvrouw die wel eens nieuw elastiek in een kinderbroek gezet heeft had het kunnen bedenken. Inmiddels heeft Alcatel, een van 's werelds grootste kabelleveranciers, het procédé gekocht.

Toch zal nog wel wat gegraven moeten worden. De dunste coaxkabeltjes, de uiteinden van het net, zijn te klein voor deze techniek, en oude sternetten moeten omgebouwd worden tot ringnetten. Maar de kosten, en vooral de schade en overlast van de hele operatie zijn met dit handigheidje toch een stuk minder groot geworden. Je zou haast gaan geloven dat die elektronische snelweg er echt komt.

    • Rik Smits