Europese aap vormt schakel tussen mensapen en hominiden

In Spanje werd onlangs een opmerkelijk, 9.5 miljoen jaar oud en bijna compleet exemplaar van de fossiele mensaap Dryopithecus laietanus ontdekt (Nature, 11 januari). Volgens onderzoekers van het Instituut voor Paleontologie Miquel Crusafont in Sabadell, die het skelet hebben onderzocht, biedt de vondst een unieke kijk op de evolutie van de voortbeweging van de aap.

Om daar meer zicht op te krijgen is fossiel skeletmateriaal onmisbaar, maar dat is uiterst schaars. Meestal moet men zich behelpen met tanden en stukjes schedel. Tussen de 18 miljoen jaar oude viervoeter Proconsul, een aap, en de 3,5 miljoen jaar oude rechtopgaande hominide Australopithecus afarensis, beter bekend als Lucy, gaapt dan ook een wetenschappelijke kloof, over het skelet van evolutionaire tussenvormen was vrijwel niets bekend. Naar de wijze waarop apen in de loop van de evolutie hun unieke vermogen om te klimmen, aan takken te hangen en heen en weer te zwaaien hebben ontwikkeld, kon men alleen maar gissen. De studie van het Dryopithecus-skelet helpt, deze kloof te overbruggen.

Dryopithecus was de eerste fossiele mensaap die ooit werd ontdekt. De eerste vondst was drie jaar vòòr de publicatie van Darwins boek 'The origin of species'. Het recent ontdekte Spaanse exemplaar skelet was door vleeseters uiteengerukt en over een gebied van zeker 900 vierkante meter verspreid. Maar volgens de paleontologen behoren alle onderdelen vermoedelijk toe aan één individu, een volwassen man.

Tot nog toe werd aangenomen dat de mensapen uit het Mioceen (25 tot 5 miljoen jaar geleden) voornamelijk viervoeters waren. De lichaamsstructuur van de Spaanse mensaap blijkt echter al veel weg te hebben van die van de latere rechtop gaande hominiden. Het skelet onderscheidt zich in een aantal belangrijke uiterlijke kenmerken van de viervoeters zoals Proconsul. Kenmerkend voor de viervoeters is een lange, buigzame ruggegraat, een relatief smalle borstkas, met zijdelings geplaatste schouderbladen en naar verhouding korte armen. De latere, rechtopgaande hominiden hebben een kortere, stijvere wervelkolom, een bredere borstkas met meer achterwaarts geplaatste schouderbladen en langere, krachtige armen waarmee ze goed aan boomtakken kunnen slingeren. Al deze eigenschappen zijn volgens de Spaanse paleontologen al bij Dryopithecus te zien: korte, stijve ruggewervels, een brede borstkas, achterwaarts geplaatste schouderbladen en naar verhouding enorme krachtige armen, waarmee de bezitter een hele reeks bewegingen kon maken. De arm kon niet alleen worden gebogen, maar ook van de as van het lichaam worden weggedraaid (abductie). De voorarm kon voorover worden gekanteld, zó, dat bij naar voren gestrekte arm de handpalm naar beneden gericht is (pronatie).

Vergelijking van een reeks lichaamsmaten van een aantal ouderwetse en monderne aapachtigen wijst uit dat de Orang oetan naar verhouding de langste armen heeft. De Spaanse aap Dryopithecus komt een heel eind in die richting en moet een vroeg familielid zijn geweest. Volgens zijn ontdekkers was hij 9,5 miljoen jaar geleden evolutionair gezien al een heel eind op weg naar de hangende, zwaaiende levenswijze die nog steeds kenmerkend is voor de huidige orang oetans.