De wet van het uitdovend verleden

Hoe verder het verleden weg ligt, hoe minder aandacht het krijgt. Over de halfwaardetijd van de herinnering en de wetten achter het collectieve historische bewustzijn.

Laming en Scheiwiller 'Retention in perceptual memory. A review of models and data.' in: Perception and psychophysics 1985 37(3) 189-197. Met dank aan het Instituut voor Nederlandse Lexicologie te Leiden voor het gebruik van het 27mln-corpus. En met dank aan de collega's E. Elbers, C. Jansen, E. Jonker, L. Heerma van Voss en M. Prak voor hun commentaar.

Psychologen beperken hun aandacht voor het geheugen doorgaans tot de herinnering aan dingen die mensen zelf hebben beleefd. Maar het verleden is langer. We hebben ook een herinnering aan gebeurtenissen die we kennen uit verhalen van onze ouders, uit de geschiedenisles of uit geschiedenisboeken. Studie van de aandacht voor dat verleden kan een interessant licht werpen op ons vermogen herinneringen te bewaren en op de wijze waarop wij het verleden vergeten.

De krant is een geschikte bron voor zulk onderzoek, zeker nu krantenteksten ook elektronisch toegankelijk zijn geworden. De Volkskrant is op CD-rom beschikbaar en, nog mooier, sinds kort is het complete artikelenbestand van NRC Handelsblad van 1994 en begin 1995 door het Leidse Instituut voor Nederlandse Lexicologie aan taalonderzoekers ter beschikking gesteld. Dit corpus taalmateriaal bestaat uit 27 miljoen krantenwoorden. Het gaat uitsluitend om tekst van de redactionele pagina's. Beursberichten, sportuitslagen, advertenties en dergelijke komen er niet in voor.

Onder deze 27 miljoen woorden blijken 64.786 jaartallen voor te komen van jaren vóór 1994. In meer dan een opzicht is dit een interessante collectie. Zeer veel verschillende jaartallen zijn er in vertegenwoordigd. Men moet in de tijd teruggaan tot het midden van de zestiende eeuw om een jaartal te vinden dat niet in de collectie zit: 1549 is het jongste jaartal dat afwezig is. En men moet ook behoorlijk ver in de tijd terug om een jaartal te vinden dat slechts één keer vertegenwoordigd is: het jongste jaar dat slechts één keer in het materiaal zit is 1698. Dit is verrassend, maar deze dingen zijn natuurlijk curiosa. Ze verbleken onder de zon van de kansberekening. Ze zijn evenwel een eerste illustratie van het te verwachten verschijnsel dat niet alle jaartallen even vaak in de krant komen.

Verwachte en voorspelbare spreidingsverschillen zijn er meer. 1492 is frequenter dan 1491 om maar eens voorbeeld te noemen. Ook het jaar 1894 is behoorlijk vertegenwoordigd: in 1994 werden gebeurtenissen uit 1894 herdacht. Herdenkingsjaren zijn bij uitstek gelegenheden om een historische gebeurtenis weer in het bewustzijn te brengen. Ook is het niet verwonderlijk dat we ronde jaartallen wat vaker tegenkomen dan andere. Men spreekt gemakkelijker van rond 1350 dan van rond 1348.

Minder anekdotische dingen worden zichtbaar als we de aantallen jaartallen in grotere groepen samennemen. In het volgende zijn allereerst decennia en periodes van vijftig jaar als aggregatieniveaus gekozen.

In FIGUUR 1 zijn de gegevens bijeen gebracht over de twintigste en negentiende eeuw tot 1820. Iedere kolom geeft het totaal aantal vermeldingen over tien jaren aan.

De eerste indruk is niet verrassend. Hoe verder het verleden weg is, hoe minder aandacht het krijgt in de krant: hoe verder iets in het verleden ligt, des te minder het wordt waargenomen. Zo'n uitdoving van de aandacht voor wat eens in het middelpunt van de belangstelling stond, is in overeenstemming met hetgeen men zou verwachten. Verrassend is de snelheid van de daling. De aandacht voor het verleden heeft een 'halveringstijd' van zo'n 12 jaar.

De gegevens weerspiegelen iets van een collectief historisch bewustzijn. Twee belangrijke eigenschappen van dat bewustzijn kunnen worden vastgesteld. In de eerste plaats is de aandacht voor bepaalde jaren in de geschiedenis, zoals beide wereldoorlogen, cultureel bepaald en veranderlijk. Sommige elementen van de actualiteit kunnen tot extra aandacht leiden voor een bepaalde gebeurtenis. Maar deze incidentele toename van de aandacht kan de tweede eigenschap van de gegevens niet onzichtbaar maken: naarmate de tijd verstrijkt, krijgt een jaar minder aandacht.

Dit geldt ook voor langere periodes. Men vindt een periode van zes-en-een-halve eeuw in beeld gebracht in FIGUUR 2. Hier zijn de jaartallen van steeds een subperiode van vijftig jaar bijeen genomen. In de eerste kolom van het diagram zijn alle jaartallen tussen 1899 en 1850 bij elkaar opgeteld, in de tweede alle jaartallen in de daaraan voorafgaande periode van 1849 tot 1800 etc. Het lijkt er op dat de curve dezelfde vorm heeft als die van figuur 1: teruglopende aandacht naarmate de tijd verder in het verleden ligt. Ook kan worden afgelezen dat de aandacht voor de zeventiende eeuw en de tweede helft van de zestiende eeuw groter is dan mag worden verwacht. Maar deze onregelmatigheid is goed te begrijpen. Het is in overeenstemming met onze beleving van het Nederlandse verleden.

Laten we vervolgens onze aandacht weer richten op de regelmaat in de dalende curve. Deze regelmaat kan in een eenvoudige mathematische formule worden uitgedrukt: de aandacht voor een jaar, een gebeurtenis, een episode, een periode uit het verleden neemt af met (ongeveer) het kwadraat van de afstand tot het heden.

Kwantificeren we die aandacht voor een bepaald jaar, decennium, halve eeuw, eeuw etc. als het aantal malen dat dat jaar (of de jaartallen van het decennium, de halve eeuw, de eeuw etc.) in een zeker homogeen tekstcorpus wordt vermeld, en noemen we dit getal y. Berekenen we vervolgens het aantal jaren dat sinds dat jaar (of het midden van het decennium, het midden van de halve eeuw of eeuw) verlopen is, en noemen we dit getal x. De vermenigvuldiging van y met het kwadraat van x levert een constant getal op. Dit wordt uitgedrukt in de volgende formule: x x y = C

We noemen deze formule verder: de wet van het uitdovend verleden. De constante C is uiteraard gerelateerd aan het corpus gegevens dat de waarde van y bepaalt. Niet iedere verzameling van 27 miljoen woorden zal dezelfde hoeveelheid jaartallen bevatten. Maar over de hoeveelheid jaartallen die in een corpus te vinden zijn, doet de formule geen uitspraak. De formule brengt tot uitdrukking dat de curve dezelfde vorm zal hebben ongeacht de vraag of het totaal aantal jaartallen in een gegeven corpus taalmateriaal groter of kleiner is. Een telling van de aantallen jaartallen in de Volkskrant van 1994, die op CD-rom is verschenen, leverde een kleiner aantal jaartallen op, maar dezelfde kromme.

Eerst iets ter ondersteuning van de wet. Voor allerlei groepen jaartallen werd (C) uitgerekend voor de gevonden waarden van y. Steeds bleken tussen de gevonden en de berekende aantallen jaartallen hoge correlaties te bestaan, althans als het om jaartallen ging van vóór 1910. Een voorbeeld is het tijdvak 1899-1250 verdeeld in periodes van 50 jaar. In FIGUUR 3 vindt men de feitelijke gegevens en de berekende gegevens samen in beeld gebracht.

Om de realiteitswaarde van de wet van het uitdovend verleden verder op de proef te stellen werd uit het 27mln corpus nog een tweede verzameling gegevens geselecteerd. Voor deze tweede verzameling werd het voorkomen geteld van 'eeuwnamen': 13de eeuw, zeventiende eeuw, vorige eeuw, Gouden eeuw etc. Wat voor jaartallen geldt zou ook voor 'eeuwnamen' moeten gelden. In totaal bleek er in het 27 miljoen corpus 3355 maal over een eeuw met een eeuwnaam gesproken te worden.

Op dezelfde manier als dat hierboven voor de jaartallen werd uiteengezet, werden de curves gevonden voor de feitelijk aangetroffen distributie van eeuwnamen voor de periode 1900-800, en voor de berekende waarden van y. Men vindt die curves in FIGUUR 4. Ook hier blijkt de spreiding van de eeuwnamen over het verleden, speciaal de afnemende aandacht voor de eeuwen naarmate ze verder weg liggen, redelijk voorspeld te worden door de wet van het uitdovend verleden. Onder de eeuwnamen in het 27mln corpus is de zeventiende eeuw weer oververtegenwoordigd.

Hoe we het verleden ook groeperen en welke uitsnede van het verleden we ook nemen, steeds blijkt de wet van het uitdovend heden de regelmatigheid in de dalende aandacht voor het verleden correct te beschrijven - althans als het gaat om jaartallen voor 1910.

Want er is een probleem. De wet geeft geen correcte resultaten voor jaartallen van de twintigste eeuw vanaf ongeveer 1910. De aandacht voor de gebeurtenissen uit deze eeuw dooft niet zo snel uit, als de wet van het uitdovend verleden dicteert. Maar wonderlijk genoeg blijkt ook hier het uitdovingsproces regelmatig te verlopen.

De aandacht voor het verleden tussen 1990 en 1910 blijkt namelijk in grote lijnen omgekeerd evenredig aan de tijd die sindsdien is verstreken. Hier wordt het uitdoven van het heden mooi beschreven door een tweede formule: x x y = C We spreken hier van: de wet van het uitdovend heden.

FIGUUR 5 illustreert de wet van het uitdovend heden voor de jaartallen tussen 1990 en 1930. Ook hier vinden we een hoge correlatie, die hoog blijft als we de jaartallen in tientallen groeperen. Ook hier herhaalt het verschijnsel zich in de Volkskrant-gegevens.

Was de wet van het uitdovend verleden al reden tot verwondering, de wet van het uitdovend heden maakt het alleen maar erger. Wat kan deze feiten verklaren?

Het gebruik van jaartallen in de krant van vandaag wordt bepaald door de actualiteit. Veel historische onderwerpen worden besproken naar aanleiding van de publikatie van een boek. Nog veel minder dan de keuzes van onderwerpen van krantenstukken is de publikatie van historische boeken door een of ander meesterbrein geregisseerd. Ook de spreiding van de aandacht van historici over het verleden moet mijns inziens in hoofdzaak gezien worden als de resultante van toevalligheden.

Wat kan maken dat die spreiding zo'n wetmatig karakter heeft? Het is geen dwaze gedachte om de krant te zien als de drager van het collectieve bewustzijn van een cultuur. Als geen andere institutie is het de krant die de aandacht voor historische verschijnselen activeert en levend houdt.

Veronderstel dat de verzameling krantenschrijvers homogeen is. Dat wil zeggen dat de aandacht van iedere schrijver steeds op een natuurlijke, niet gestuurde wijze is verdeeld. Dan zou een vertaling van de wetten van het uitdovend heden en verleden naar het niveau van het individu veronderstellen dat de aandacht van een individu voor het verleden tot 1910 afneemt in evenredigheid met de afstand, terwijl die voor het oudere verleden afneemt met het kwadraat van de afstand tot dat verleden. Dat kan alleen maar, als die wetten iets weerspiegelen omtrent de werking van de menselijke geest.

Er is in de psychologische literatuur sprake van vergeetcurves van verschillende wiskundige gedaantes. Men vindt er onder andere de optie dat het geheugen vervalt met het kwadraat van de tijd die verstrijkt tussen prikkel en toetsmoment. Dit komt overeen met de wet van het uitdovend verleden. Het zou treffend zijn als men de werking van het geheugen zo direct in het collectief gedrag van de auteurs in NRC Handelsblad gereflecteerd zag.

Het is echter de vraag of er wel van 'herinnering' en 'vergeten' moet worden gesproken: ook de jaartallen die betrekking hebben op de toekomst zijn regelmatig gespreid. Het zijn er in het 27mln-corpus zo'n 4800. Net als bij het verleden voor 1910 nemen de aantallen af met het kwadraat van de afstand in de tijd. En dat kan moeilijk met een activiteit van een (collectief) geheugen in verband gebracht worden. Wat in de cijfers aan de orde is, lijkt dus eerder het vermogen van de menselijke geest om aandacht te schenken aan dingen van het niet-heden. Dit brengt de fysische kwadraatwetten in herinnering: net als de sterkte van een lichtbron afneemt met het kwadraat van de afstand, zo lijkt de menselijke geest dat te doen met betrekking tot verleden en toekomst.

En die knik rond 1910? Wat verklaart dat de aandacht voor het recente verleden anders werkt dan de aandacht voor de toekomst of de verder wegliggende geschiedenis? Het is verleidelijk te denken dat dit verbandhoudt met het uitsterven van de groep mensen die rond 1910 is geboren. Alsof in de cultuur de aandacht voor gebeurtenissen waarover de levenden nog kunnen verhalen, minder snel uitdooft dan de herinnering aan de oudere tijd, waarvan geen getuigen meer zijn.