De man van Boxgrove

Wanneer kwamen onze voorouders Europa binnen? In Engeland zijn sterke aanwijzingen gevonden dat een half miljoen jaar geleden mensen op groot wild jaagden. Een aanwijzing die stand houdt.

Vindplaatsen in Midden- en Zuid-Europa als Kärlich, Prezletice, Stranska Skala, Le Vallonet en Isernia zijn aanleiding geweest voor de veronderstelling dat de bewoning van Europa een zeer lange chronologie heeft. Een die teruggaat tot ver vóór 500.000 voor Christus. Kritisch heronderzoek van de bewijsvoering heeft echter twijfels gezaaid. Op de geclaimde dateringen bleek veel te kunnen worden aangemerkt. Daarnaast zouden de oudste zogenaamde werktuigen in werkelijkheid zijn gevormd door geologische processen.

Deze bevindingen vormden de aanleiding voor de formulering van de hypothese dat de kolonisatie van Europa niet ouder is dan een half miljoen jaar. De 'korte chronologie' werd voorgesteld op een congres in Tautavel (1993) door de Nederlandse archeologen dr. W. Roebroeks en dr. Th. van Kolfschoten. Ze is gebaseerd op de overtuiging dat vindplaatsdateringen van na dat tijdstip stukken betrouwbaarder zijn, en dat het bij de 'jonge' werktuigen daadwerkelijk om artefacten gaat: om door mensenhanden gemaakte dingen. Artefacten worden pas dan in archeologische 'contexten' gevonden en niet meer als losse objecten in grindbanken. Verder wijzen Roebroeks en Van Kolfschoten erop dat menselijke resten in het Europa van vóór 500.000 jaar geleden ontbreken, terwijl ze daarna vrijwel alom tegenwoordig zijn.

Dijbeen

De korte chronologie kwam in 1995 tweemaal onder vuur te liggen, beide keren door toedoen van Spaanse onderzoekers. De eerste keer ging het om de vondst van overblijfselen van een viertal mensachtigen in de buurt van Burgos. In The Journal of Human Evolution werd een ouderdom geclaimd van 500.000 jaar, een paar maanden later was dit getal in het tijdschrift Science opgelopen tot 800.000 jaar. De tweede keer betrof de ontdekking van mogelijk hominide resten bij Fuentenuevo. Op het congres van Orce (Granada) werd verdedigd dat die maar liefst 1,8 miljoen jaar oud zouden zijn. De hypothese van de 500.000 jaar lijkt er geen schade van te zullen ondervinden. Archeologen plaatsen grote vraagtekens bij de kwaliteit van de datering van de Burgos-vondsten en het Fuentenuevo-verhaal is inmiddels compleet van tafel geveegd.

Intussen wordt in het Zuid-Engelse Boxgrove, na de hectische toestanden rond de vondst van een dijbeen twee jaar geleden, low profile doorgewerkt aan opgravingen in een buiten bedrijf geraakte grindgroeve. De betrokken vindplaats is in korte tijd uitgegroeid tot een van de belangrijkste paleolithische sites van Europa. Dr. M. Roberts, die de opgravingen leidt, werkt met onderbrekingen sinds 1983 in de groeve.

Roberts: 'Oorspronkelijk kwamen we hier om de geologie te bestuderen. Daar bestonden nog vragen over. Ongeveer zeventig meter noordelijk van Boxgrove lag ooit de zuidkust van Engeland. Witte krijtrotsen, net als bij Dover, tot wel honderd meter hoog. Ergens bovenop die rotsen ontsprong een bron en dat water kwam langs de rotsen naar beneden. Eerst beukte de zee nog op de krijtrotsen, maar die trok zich in de loop van de tijd terug. Zandstranden ontstonden en nog weer later een getijden-landschap dat op een gegeven moment helemaal droogviel. De rotswand is langzaam verbrokkeld, een gedeelte door toedoen van de bron, en veranderd in een puinhelling. Geologisch geen eenvoudige situatie. We wisten dat er ergens in de grindlagen archeologisch materiaal moest zitten. Als we nu de geologie zorgvuldig genoeg documenteerden, zo was onze redenering, dan zouden we wellicht oppervlakken van landschappen kunnen vinden waarop zich ooit mensen hadden bewogen. En we zouden dan mogelijk ook archeologisch materiaal in context tegenkomen, dus op de plaats waar en op de manier zoals het was achtergelaten.'

Bij een kleine proefopgraving in 1984 kwam deze verwachting uit. Roberts kreeg daarna de leiding over het onderzoek en zijn groep bracht van 1985 tot 1991 de groeve geologisch en archeologisch in kaart. De aanwezige archeologische resten bleken zo belangrijk dat er een beheers- en beschermingsplan moest worden opgesteld. In de veronderstelling dat het veldwerk nu gedaan was, zette Roberts zich aan het schrijven van dat plan, en aan de definitieve verslaglegging van negen jaar onderzoek. Er was echter één stuk in de groeve waarvan hij de geologie bij nader inzien niet goed genoeg begreep: de plek onder de stromen van de bron. Het water had daar het onderste deel van het puin van de rotswand vermengd met de toplaag van de zee-afzettingen. In de winter van 1993-94 trok Roberts opnieuw naar Boxgrove om dat nog eens goed te bekijken, nu op eigen houtje. Toen vond hij, net iets boven de vermengde laag van puin en zeezand, het op slag wereldberoemde, op 500.000 jaar oud geschatte, menselijke dijbeen.

Woelratten

In 1995 gingen de opgravingen van start. Roberts: 'We begonnen met ongeveer tweehonderd vierkante meter in de puinhelling weg te graven tot op de mariene afzettingen. Daarna zijn we in dat hele vrijgelegde vlak tot anderhalve meter diep gegaan. Allemaal handwerk. In totaal is driehonderd kubieke meter sediment onderzocht, wat voor een paleolithische vindplaats een onvoorstelbare hoeveelheid is. De archeologisch belangrijkste plek bevindt zich in die mariene afzettingen op het niveau van een vroeger strandoppervlak. De zee heeft de overblijfselen rustig en heel regelmatig met fijn zand afgedekt. Links en rechts werd wat verschoven, maar als geheel is dit oppervlak volledig intact gebleven.'

De vindplaats wordt geologisch gedateerd in het Midden-Pleistoceen (700.000 - 130.000), archeologisch in het Vroeg-Paleolithicum (3.000.000 - 300.000) en moet, wat preciezer, tussen de 524.000 en 478.000 jaar oud zijn. Deze datering is op verschillende manieren gecontroleerd, onder andere met kiezen van pleistocene woelratten. Bekend is dat die kiezen omstreeks 500.000 jaar geleden hun wortels verloren. Deze overgang kon in Boxgrove worden vastgelegd.

Roberts: 'Dit moet een unieke plek zijn geweest. De flora zal niet erg veel hebben verschild van die van vandaag, hier of aan de kust. Alleen was een groot stuk van het gebied boven op de rotswand dicht bebost. Het bronwater dat naar beneden kwam en naar zee stroomde trok allerlei dieren aan. Wat hebben we hier al niet aangetroffen: neushoorns, reuzeherten, bisons, olifanten, beren, leeuwen, luipaarden. Verder bevers, dassen, nertsen. En grote hoeveelheden spitsmuizen, woelratten reptielen, amfibieën en watervogels. We hebben iets van honderveertig eivormig platte vuistbijlen gevonden, een ongelofelijke hoeveelheid voor één vindplaats. En we hebben plekken ontdekt waar neushoorns en reuzeherten werden geslacht. Zo op het eerste gezicht lijkt het alsof men het vooral op de grotere dieren hadden gemunt, gezien de gevonden karkassen met slachtsporen. Maar het kan natuurlijk zijn dat ze kleinere dieren mee naar elders namen om ze daar te verwerken. De kans om een van die plaatsen te vinden acht ik verwaarloosbaar. En al helemaal niet als ze bovenop de rotswand zaten. Daar hoef je ook niet te gaan zoeken: wat zich daarboven bevond, ligt nu hier beneden.'

Bij de stukken hominide dijbeen is het voor wat menselijke resten betreft niet gebleven. Tijdens de opgravingen in 1995 werden twee tanden ontdekt. Roberts: 'Ze lagen vlak bij elkaar, de tweede iets zuidelijker, en ik denk dat ze uit dezelfde kaak komen. De kans bestaat dat we daar volgend jaar, als we verder die kant opgaan, nog wel delen van vinden. Die hoop hadden we bij het dijbeen niet omdat die in een verstoorde context zat. Misschien heeft een of ander roofdier het daar laten vallen. Afgaand op de vorm van dijbeen en tanden, en op de datering, zou ik zeggen dat we te maken hebben met Homo heidelbergensis. Dat is een archaïsche Homo sapiens, een overgangsvorm tussen de Afrikaanse Homo erectus en de Neanderthaler. Hij moet behoorlijk robuust zijn geweest. Een grote, sterke kerel.'

Old chestnut

De vraag is wat deze vondsten betekenen in het debat over de vroege kolonisatie van Europa. Roberts: 'Ah, that old chestnut. Goed, ik denk dat ik het voor het grootste deel met Roebroeks eens kan zijn. Ook denk ik dat heel wat duidelijker moet worden aangetoond dat er sprake is van bewoning van Europa vóór 500.000 jaar geleden. Héél misschien kan er sporadische menselijke aanwezigheid in het mediterrane gebied zijn geweest. Maar het staat buiten kijf dat ongeveer een half miljoen jaar geleden een enorme koloniserende golf Europa overspoelde: the big push. Dat blijkt ondubbelzinnig uit vindplaatsen in Midden-, Zuid- en Noordwest-Europa. Engeland kon makkelijk worden bereikt: dat zat toen aan het continent vast.'

Volgens Roberts is het belang van Boxgrove echter breder. 'Boxgrove is in de eerste plaats waardevol voor de archeologie als geheel. We lopen hier niet rond om af en toe snippers bewijsmateriaal van de grond te kunnen rapen, zoals in Afrika. We hebben hier hominide overblijfselen, biostratigrafische gegevens, archeologisch materiaal en dat alles in een perfecte context. We kunnen gaan praten over menselijk gedrag van 500.000 jaar geleden. And that is what we are in this business for.'

    • Theo Holleman