De bubbeltjes van het CDA

Het schijnt een onuitroeibaar fenomeen te zijn tijdens congressen van het CDA: de 'ludieke' bijdrage van het Christen-Democratisch Jongeren Appèl. Te oude jongeren, gekleed in t-shirts en met petjes op, beklimmen het podium om de partijtop op de een of andere manier te prikkelen. Elke keer weer. De partijvoorzitter krijgt een paar grote oren aangeboden (om beter te kunnen luisteren!), de fractievoorzitter een slopershamer (om verstarring te doorbreken!) of een troffel (om te bouwen!). Het zijn tenenkrommende intermezzo's, waarbij de gêne van de gezichten van de èchte bestuurders afstraalt. Maar tevens weerspiegelt dit middelbare-schoolcabaret een politiek feit. Jongeren in het CDA zullen, althans zolang ze in de eigen jongerenorganisatie zijn geschoold, nooit een relevante factor van betekenis worden.

Integendeel, in het CDA zijn het de ouderen en de zeer ouderen die de toon zetten. Pas degenen die voorzien zijn van het predikaat 'ex' tellen in de partij echt mee, zo lijkt het wel. De vorig jaar november gepresenteerde discussienota Nieuwe wegen, vaste waarden, die moet leiden tot een inhoudelijke herbezinning, werd opgesteld onder leiding van de 66-jarige Frans Andriessen: de man die in de jaren zeventig actief was in de nationale politiek. Een nog steeds niet te passeren figuur binnen het CDA is de 74-jarige Norbert Schmelzer: de man die eind jaren vijftig al in de startblokken stond om Romme op te volgen als politiek leider van de KVP.

Hans van den Broek (59) en Onno Ruding (56), respectievelijk ex-minister van buitenlandse zaken en ex-minister van financiën; er lopen heel wat mensen binnen het CDA rond die denken dat de redding van de partij door één van deze twee coryfeeën van vroeger tot stand zal moeten worden gebracht. En dan is er natuurlijk nog het fameuze telefooncircuit: de babbelbox van iedereen die ooit wat in de partij was. Zonder enige status en daarom zo invloedrijk. Carrières kunnen worden gemaakt en gebroken via dit niet-benoemde seniorenconvent.

Het past allemaal bij een partij die niet anders gewend is dan in het centrum van de macht te opereren. Continuïteit is dan de eerste voorwaarde. Niet te veel experimenteren, dat kan maar tot vervreemding leiden. Het was tot 1994 de kracht van het CDA. De partij stond voor zekerheid. Men deed wat nodig was, maar altijd met mate. In een over het algemeen tevreden natie als Nederland bleek deze instelling een garantie voor het aan de macht kunnen blijven.

Maar wat te doen, als die macht geen vanzelfsprekendheid meer is? De armzalige oppositie die het CDA tot nu toe heeft gevoerd is voor een belangrijk deel te verklaren uit het feit dat de partij die goevernementele houding niet van de ene op de andere dag kan verlaten. En het is ook niet eenvoudig. Voor de buitenwereld is het eveneens wennen. Het CDA dat het kabinet voor de laatste keer waarschuwt is net zo'n cultuurschok als de opening van de eerste McDonald's in Moskou.

In de partij zelf schrikt men er ook van. Was het onlangs niet ex(!)-partijvoorzitter Lodders die waarschuwde voor een oppositie die met “de moker” zou worden gevoerd? Anderen binnen het CDA hebben haar dat weer kwalijk genomen. Hoe kan het CDA zich nu profileren als oppositie in alle redelijkheid moet worden gevoerd? De discussie hierover nu geeft een aardig zicht op het bijna onmogelijke probleem waarvoor het CDA zich straks bij verkiezingen gesteld ziet. Voor het eerst zal de kiezer benaderd moeten worden vanuit een positie dat géén beleidsverantwoordelijkheid is gedragen. Voor het eerst ook zal het CDA niet de continuïteitsgedachte centraal kunnen stellen. De partij zal met een wenkend perspectief moeten komen. Voor het CDA is dit net zo nieuw als oppositie-voeren en het is twijfelachtig of de partij dit eigenlijk wel kan.

Anders gezegd: hoe gaat het CDA de kiezer straks prikkelen? Het is de vraag die deze maand ook wordt opgeworpen in het blad Christen Democratische Verkenningen van het wetenschappelijk instituut van het CDA. Daarin vraagt het Groningse raadslid Paas zich af hoe het gesteld is met “de bruisfactor” van het CDA. Het aardige is dat de 29-jarige Paas een representant is van de jongere generatie. In zijn stuk van nog geen twee pagina's legt hij haarfijn bloot waar het probleem zit.

Paas wijst op initiatieven van andere partijen om de politieke interesse bij burgers te vergroten. “Het CDA grossiert slechts in bezwaren”, aldus Paas. De volgens hem “terechte liefde” voor het maatschappelijk middenveld is uitgemond in een onaantastbaar-verklaring van het particulier initiatief ongeacht de geleverde prestaties. Paas: “Zo dragen we zelf bij aan de schijn dat 'paars' nodig is om verstarde structuren aan te pakken.” Ook heeft hij moeite met de uitstraling van de partij: “Natuurlijk, onze traditie is 2000 jaar oud, maar dat hoeven we toch niet steeds te laten merken?”. Volgens hem moet er voor worden gewaakt dat het CDA zich manifesteert als “de partij van opa's denkbeelden”.

Paas kan in eerste instantie gemakkelijk het verwijt worden gemaakt in 1994 even niet te hebben opgelet. Want bleek het dynamische optreden van babyboomer Elco Brinkman toen juist niet een tikkeltje te wild voor het doorsnee CDA-potentieel? Toch is die verklaring voor de record-nederlaag bij de verkiezingen te simpel. Het gedrag van Brinkman was vooral on-CDA, omdat hij zich tegen de klassieke continuïteitsfilosofie van de partij keerde. Juist omdat hij de Grote Verandering aankondigde, sloeg het behoudende CDA-electoraat voor de eigen partij op de vlucht.

Het spiegelbeeld is stilstand. In die situatie lijkt het CDA als oppositie-partij te verkeren. De nota Nieuwe wegen, vaste waarden is in eigen kring weliswaar goed ontvangen, maar het gaat er natuurlijk om of het CDA hiermee ook een basis heeft gelegd om straks met het aansprekende alternatief de kiezersmarkt op te gaan. Dan komt inderdaad de 'bruisfactor' van Paas in het vizier. Het CDA kan het in zijn huidige rol niet zonder inhoudelijke bubbeltjes stellen. Maar dan is direct de vraag of de ouderen in het CDA die het voor het zeggen hebben eigenlijk wel prik kunnen verdragen?

    • Mark Kranenburg