Banen blijven nog uit ondanks hogere winsten

ROTTERDAM, 11 JAN. Ondernemingen zien de winsten stijgen. De rendementspositie is goed. De rente is laag. Er is genoeg personeel te krijgen. En toch wordt er in Nederland niet voldoende geïnvesteerd. Moeten bedrijven soms gedwongen worden in perioden van opgaande winsten ook werkgelegenheid te creëren?

“Een boete voor bedrijven die banen blijven uitstoten terwijl er goed wordt verdiend, kan geen kwaad”, vindt FNV-voorzitter Johan Stekelenburg. Hij was gisteren een van de sprekers op een congres over winst, investeringen en werkgelegenheid dat georganiseerd was door het Erasmus Forum van de Rotterdamse universiteit.

Politici, ambtenaren, vakbondsleiders en een enkele ondernemer braken zich het hoofd over de vraag wat er met de winsten gebeurt. Dat winst geen vies woord meer is zoals in de jaren zeventig het geval was, daar waren alle betrokkenen het over eens. En dat winst en werk onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, werd ook door iedereen beaamd. Maar hoe komt het dat er goede bedrijfsresultaten worden geboekt, terwijl de werkloosheid nog altijd hoog is en tegelijkertijd wel flink wordt geïnvesteerd in het buitenland?

Bij de overheid en werknemers groeit de frustratie dat ondanks vele inspanningen en concessies de werkgelegenheid te weinig groeit, terwijl winstgevende bedrijven blijven reorganiseren. “Ondernemers zwemmen in het geld, maar ze doen er niets mee”, constateerde het Tweede-Kamerlid W. van Gelder, specialist in de Partij van de Arbeid op het gebied van industrie en technologie.

“De overheid werkt hard aan verbetering van de economische infrastructuur. De besparingen zijn hoog, de rente is laag, de inflatie is laag. Er wordt een positieve groei verwacht en hoe reageert het bedrijfsleven? De investeringen in onderzoek en ontwikkeling zijn teleurstellend. De overheid heeft een industriefonds opgericht, maar bijna niemand maakt er gebruik van. Kortom, er is geld genoeg, maar er wordt niets mee gedaan. Dat is heel triest”, aldus Van Gelder.

De stelling dat de winsten de pan uitrijzen, ging D. Bruinsma, plaatsvervangend secretaris-generaal van het ministerie van Economische Zaken, te ver. Bepaalde branches zoals de chemie en uitzendbureaus boeken forse winst, maar bij andere beursgenoteerde ondernemingen zoals Vendex en Nedlloyd staat het resultaat onder druk. Om maar te zwijgen van Fokker, aldus Bruinsma. De winstontwikkeling en rentabiliteit van het bedrijfsleven zijn goed, maar hebben nog lang niet het niveau gehaald van de jaren tachtig. Bovendien, stelde Bruinsma, als de winstontwikkeling van beursondernemingen wordt vergeleken met het buitenland “valt het wel mee”. In Nederland wordt dit jaar rekening gehouden met een gemiddelde winststijging van 15 procent, in Duitsland is dat 25 procent, in Frankrijk 23 procent en in Japan 18 procent. Maar aan kapitaal heeft Nederland geen gebrek. Dat moest ook de topambtenaar van Economische Zaken constateren. Hij waarschuwde zelfs dat Nederland niet moest afglijden naar een renteniersmaatschappij. De renteinkomsten uit vermogen nemen immers toe. Volgens Bruinsma zijn er duidelijke indicaties dat er meer geïnvesteerd kan worden. “Het jarenlange overschot op de lopende rekening van de betalingsbalans en de grote inactiviteit duiden op onderbenutting van de capaciteit.” Om een aanzienlijke hoeveelheid banen te scheppen, is er volgens Bruinsma een stijging nodig van de bruto investeringen van 12 naar 15 procent. Dat kan niet alleen worden bereikt door een terugtredende overheid en het verder stimuleren van meer marktwerking in de economie. “De overheid moet ook als investeerder blijven optreden”, vindt hij.

Deze uitspraak was de vertegenwoordiger van het bedrijfsleven uit het hart gegrepen. “Waar blijven de grote, ambitieuze overheidsprojecten”, vroeg P. Verhaegen zich af, beleidsmaker bij de ondernemersorganisatie VNO-NCW. Hoe staat het met nieuwe landaanwinning voor de kust van Zuid-Holland of het bouwen van ondergrondse projecten? “Er is veel bezuinigd om de overheidsfinanciën op orde te krijgen en dat is ten koste gegaan van de investeringen door de overheid”, stelde Verhaegen vast.

Maar waarom investeren bedrijven zo matig, hield een andere topambtenaar van Economische Zaken, J. van Sinderen, hem voor. Het vestigingsbeleid en het fiscale beleid voor bedrijven zijn ten slotte verbeterd en toch heeft dit niet tot stijgende investeringen geleid. Dat moest de vertegenwoordiger van Nederlandse ondernemers beamen. “De rendementsmogelijkheden in het buitenland zijn beter”, zei Verhaegen onverbloemd.

De voorzitter van de Nederlandse vakbeweging vond dit te gemakkelijk. “Het kan niet zo zijn dat werkgevers alleen maar bezig zijn met het maximaliseren van de winst, de vakbeweging met de 'outsiders' op de arbeidsmarkt en dat de overheid de slachtoffers mag opvangen”, zei Johan Stekelenburg. “De maatschappij stopt niet bij de fabriekspoort. Het is ook een verantwoordelijkheid van werkgevers om werk te genereren.”

Hij voelt wel iets voor het idee dat de Amerikaanse minister van arbeid, Robert Reich, onlangs opperde in The New York Times naar aanleiding van kritiek op het massa-ontslag van 40.000 werknemers bij AT&T. Beschuldigingen aan het adres van ondernemers hebben volgens Reich geen zin, omdat bedrijven blootstaan aan hevige concurrentie. Wel kan de overheid sommige economische spelregels veranderen en bedrijven die hun 'maatschappelijke verantwoordelijkheid' nemen fiscaal bevoordelen. “Een goed idee”, vindt Stekelenburg. Hij is van oordeel dat bedrijven waar veel banen worden uitgestoten, desnoods boetes moeten worden opgelegd.

    • Michèle de Waard