Theologie is 'geloofsleer' voorbij

De moderne, 'teugelloze' theologie heeft geen bestaansrecht meer aan openbare universiteiten, betoogde de Leidse filosoof Herman Philipse onlangs op deze pagina, omdat het geen wetenschap is. Gerard de Haas is dat met hem eens, al verwijt hij Philipse enkele taxatiefouten. Gerrit Manenschijn en H.M. Kuitert daarentegen keren zich tegen Philipse's betoog, dat volgens hen berust op een veel te enge definitie van wetenschap.

In zijn artikel snijdt Herman Philipse zaken aan die de moeite waard zijn. Is theologie wel een wetenschap? Vanuit zijn vakgebied is dit een vraag die de filosoof Philipse bij elke wetenschappelijke discipline moet stellen: is zij wel een wetenschap? Preciezer: Wordt uw discipline wel op wetenschappelijke wijze beoefend?

In dit opzicht is de wetenschapsfilosofie een noodzakelijke horzel aan elke wetenschappelijke instelling. Het is dan ook volkomen terecht dat Philipse de vraag stelt of theologie wel een wetenschap is. Zijn antwoord laat aan duidelijkheid niets te wensen over: Nee. En zijn conclusie is: Er mag nog best een beetje rijkssubsidie aan de beoefening van de theologie worden gegeven, maar dan via de 'C' (cultuur) van minister Ritzens departement, niet via de 'W' van wetenschap. Waarom een culturele subsidie gering zou moeten zijn volgt logisch niet uit zijn betoog, maar wel uit zijn niet mis te verstane strategische bedoelingen: weg met de theologie! Alleen nog in de marge van de samenleving heeft ze bestaansrecht.

Als ik mij beperk tot de logische kern van Philipse's betoog zijn er twee zaken in het geding. Ten eerste: is theologie wel een wetenschap? En ten tweede: als ze geen wetenschap is, moet ze dan van de universiteit weg? Philipse beantwoordt die laatste vraag bevestigend, daarbij aansluitend bij een stelling van professor H.M. Kuitert, die de wetenschappelijke status van de theologie verdedigt, maar met Philipse van mening is dat theologie, als ze geen wetenschap zou zijn, inderdaad aan de universiteit niet thuishoort.

Is theologie een wetenschap?

Daarover valt eindeloos te twisten. Er gaat namelijk een vraag aan vooraf: Wat is wetenschap? Daarover wordt ook eindeloos getwist, vooral door filosofen; beoefenaars van de wetenschap laten zich zelden door dit soort vragen van hun dagelijks werk afhouden. Thomas Kuhn heeft ons duidelijk gemaakt dat er 'wetenschappelijke gemeenschappen' bestaan, die hun werk doen binnen bepaalde paradigmata en die geen twijfel over de wetenschappelijke status van hun bezigheden hebben zolang binnen hun paradigma de problemen die zich in hun vakgebied voordoen, kunnen worden gesteld, begrepen en soms zelfs opgelost.

Dit staat bekend als de sociologische benadering van wetenschap en die heeft een betrekkelijk nieuw vakgebied in het leven geroepen: wetenschapssociologie. Een nuttige wetenschap, maar te eenzijdig om het zonder wetenschapsfilosofie te kunnen stellen. Vraagt de wetenschapssociologie naar de historische en sociale precondities van wetenschap, dan vraagt de wetenschapsfilosofie naar de logische precondities.

Wetenschapssociologisch is, globaal gesproken, het theologisch paradigma dat gedurende de Middeleeuwen en de Reformatie dominant was, gaandeweg verdrongen door een natuurwetenschappelijk paradigma, dat thans toonaangevend is aan de universiteiten. Daarmee is de theologie in de verdediging gedrongen, ook wetenschapsfilosofisch. Het is volstrekt duidelijk dat theologie geen wetenschap is op de wijze van de natuurwetenschap. Dat weten we al eeuwen lang; de voorbeelden die Philipse aanvoert zijn volstrekt niet nieuw.

Daarmee heeft hij nog geen ongelijk, want er is inderdaad wel een probleem. Als de bijbel in metaforen over God spreekt (en dat doet ze) hoe moeten we dan die metaforen verstaan? Natuurlijk heeft Jezus niet werkelijk over het water gelopen (dat aan te nemen heeft nooit tot het geloof van de kerk behoord), maar welke ervaring wordt dan met die metafoor tot uitdrukking gebracht? Is dat een vraag die niet op een universiteit thuishoort?

Als ik Philipse goed begrijp vindt hij dat deze vraag wel godsdienstwetenschappelijk aan universiteiten thuishoort, maar niet theologisch. De godsdienstwetenschap mag blijven, de theologie moet verdwijnen. Ik heb de indruk dat hij theologie opvat als geloofsleer, maar aan theologische faculteiten wordt allang onderscheid gemaakt tussen wetenschappelijke beoefening van de theologie en geloofsleer, onder andere door de universitaire examens strikt gescheiden te houden van de kerkelijke examens.

De zaak zou een stuk duidelijker zijn als Philipse voor de draad kwam met zijn criteria van wetenschappelijkheid. Het enige wat hij daarover zegt is dat een bewering bestand moet kunnen zijn tegen kritiek van de 'wetenschappelijke rede'. Maar wat is dat eigenlijk? In elk geval heb ik als student al van mijn hoogleraren filosofie geleerd dat dit, in wetenschappelijk opzicht, een bijzonder slordige formulering is. De Rede als metafysische grootheid, die ons absolute zekerheid zou kunnen verschaffen!

Ik zou graag van collega Philipse willen vernemen wat voor hem de wetenschappelijke rede inhoudt. Als hij echter gerenommeerde filosofen als Heidegger, Gadamer en Derrida ook al wegzet als 'onwetenschappelijk' (van wie de eerste en de laatste overigens uitgesproken atheïst zijn), ligt het voor de hand aan te nemen dat hij het atheïstisch rationalisme aanhangt. Volgens de criteria van deze stroming is theologie inderdaad geen wetenschap. Binnen het wetenschapsmodel van Philipse is geen verweer mogelijk tegen de stelling dat theologie geen wetenschap is. Maar dat is een sterk gereduceerd model.

Moet de theologie van de universiteit weg?

Dat valt nog te bezien. Dan zou er veel meer weg moeten, maar daarover straks. De door Philipse geciteerde theoloog H.M. Kuitert wijst er in zijn Filosofie van de theologie op dat theologie kan worden opgevat als scientia (wetenschap, het Engelse 'science') of als sapientia (wijsheid). Dat is een heel oud onderscheid, bepaald niet aangebracht pour besoin de la cause. Kuitert kiest voor wetenschap, maar niet volgens het sterk gereduceerde Engelse 'science', maar meer volgens de continentale traditie van controleerbare ervaring, waaronder religieuze ervaring.

In mijn boek Mijn linkerhand is goed genoeg heb ik die positie onderzocht en op één punt afgewezen: religieuze ervaring is niet op dezelfde wijze toetsbaar als een experiment dat is, want daarvoor ontbreken de middelen. We kunnen wel de ervaringen wetenschappelijk toetsen die mensen benoemen als 'godservaringen', maar niet de ervaring van God. Dat is zowel theologisch als wetenschappelijk onmogelijk. Daarmee is niet de mogelijkheid van religieuze ervaringen ontkend, maar wel de mogelijkheid van strikt wetenschappelijke toetsing van de transcendente werkelijkheid waarop religie betrokken is.

Dan blijft dus over theologie als sapientia. Daar zit niets minderwaardigs in; in de regel hebben de meeste mensen meer behoefte aan wijsheid dan aan wetenschap. Maar de meeste mensen werken en studeren niet aan een universiteit, dus dit kan geen argument zijn om de theologie aan de universiteit te houden. Toch zou ik daar wel voor willen pleiten en wel om drie redenen.

Ten eerste: als de theologie, opgevat als sapientia, van de universiteit af moet, dan veel meer. Dan ook de filosofie. Er zijn maar weinig filosofen die filosofie beschouwen als wetenschap volgens het beperkte criterium van het rationalisme. Ik denk dat de consequentie van Philipse's standpunt is dat hij ook opruiming wil houden in de faculteit der wijsbegeerte, maar in zijn positie is het natuurlijk link dat openlijk te zeggen. Maar dan moet elke levensbeschouwelijke overtuiging verdwijnen, ook het atheïsme van Philipse, want het is zonneklaar dat dit geen methodisch atheïsme (kennis verwerven etsi Deus non daretur: alsof God niet bestaat) is, maar een levensbeschouwelijk. En dan zal ook duchtig gesnoeid moeten worden in allerlei menswetenschappen, want daar is het mes van Ockham, zo vakkundig gehanteerd door Philipse, scherp genoeg voor.

Ten tweede: het zou een geweldige verarming van de universiteit betekenen als de wijsheid daar niet meer professioneel beoefend werd, maar overgelaten werd aan beunhazen. Ze heeft altijd aan de universiteit een gerespecteerde plaats ingenomen en waarom zou dat moeten ophouden in een tijd waarin wijsheid een kritische rol kan vervullen jegens allerlei uitwassen van wetenschap, waarmee we regelmatig geconfronteerd worden? In dit opzicht vervullen filosofie en theologie een belangrijke functie. De confrontatie met de theologie blijkt zelfs in staat te zijn Philipse's denken aan te scherpen.

Ten derde: het is van groot maatschappelijk belang dat de theologie beoefend blijft worden in confrontatie met andere universitaire disciplines. Dat houdt haar bij haar opdracht kritisch naar de eigen traditie te kijken, consistent te zijn en controleerbaar. Dan komen andere zaken aan de orde dan op het water lopen, water in wijn veranderen, van stenen broden maken of een beroep doen op de 'wetenschappelijke rede'.

    • Gerrit Manenschijn