Restauratie kost 52 miljoen gulden; Gemeentemuseum in Den Haag geeft zijn geheimen prijs

Het Haags Gemeentemuseum, een van de hoogtepunten in Berlages oeuvre, is in vergaande staat van verval, maar wordt nu voor 52 miljoen gulden gerestaureerd. Vaak blijken Berlage's oorspronkelijke ontwerpen de beste oplossing te zijn voor de problemen.

DEN HAAG, 10 JAN. In een ontmantelde, van stucwerk en betimmering ontdane zaal van het Haagse Gemeentemuseum komt een klein pijpje uit de muur. Het is een stoompijpje, dat in verbinding staat met het aanpalende ketelhuis. Alleen de directeur kon het systeem werking stellen: in zijn opdracht werd er vervolgens een wolk stoom de zalen ingeblazen om de lucht te bevochtigen. Klimaatbeheersing in de jaren dertig.

Het Haagse Gemeentemuseum van architect H.P. Berlage (1856-1934), dat dateert uit 1935 is uitgerust met meer van dergelijke installaties. De voorbereidingen voor de ingrijpende en kostbare restauratie van het gebouw, die inmiddels is begonnen, brachten ze aan het licht. Maar liefst 52 miljoen gulden gaat de restauratie kosten, een bedrag waarvoor een heel nieuw gebouw zou kunnen worden neergezet.

De restauratie komt voor het gebouw nog net op tijd. Het museum, dat geldt als een hoogtepunt in het oeuvre van Berlage en dat sinds 1990 op de monumentenlijst staat, toont tekenen van vergaand verval. Het tegelwerk zit los, er zitten scheuren in de muren, deuren en ramen sluiten niet meer, glaswerk is gebarsten en daken lekken. Bovendien heeft het gebouw geen voorzieningen voor rolstoelgebruikers, is het niet brandveilig, en is de klimaatbeheersing benedenmaats. 'Onontkoombaar en onuitstelbaar' wordt de restauratie genoemd in het lijvige rapport dat de gemeente Den Haag er aan wijdde.

De financiering van de benodigde 52 miljoen gulden is inmiddels rond. Ongeveer 7 miljoen wordt bijgedragen door Rijks Monumenentenzorg, de rest wordt betaald door de Gemeente Den Haag. De timing van het hele project kon niet ongelukkiger: niet alleen is het museum de afgelopen jaren meermalen in het nieuws geweest met huizenhoge budgetoverschrijdingen, ook moest de gemeente Den Haag drastisch snijden in de uitgaven.

De hoge kosten zijn vooral het gevolg van het materiaalgebruik. Vaak worden de door Berlage gebruikte materialen nergens meer gemaakt en is de kennis van het fabricageproces verloren gegaan. Zo moet de gele baksteen voor de muren speciaal voor het museum gebakken worden en dat geldt ook voor het tegelwerk. Voor kozijnen, deuren en daklijsten gebruikte Berlage duurzame maar kostbare materialen zoals brons en messing. Omdat de maten ervan afwijkend zijn, moeten alle te vervangen delen exclusief voor het museum worden gegoten in speciaal gemaakte mallen. Een deurgat komt zo al op ongeveer 50.000 gulden.

Van luxe is echter geen sprake volgens Jan Nies, die namens de gemeente Den Haag is belast met de leiding van het project. Van de vijf opties die het verbouwingsplan bood, oplopend in kosten, is gekozen voor de tweede. Dit betekent dat de later aan het museum toegevoegde Schamhart-vleugel niet in de verbouwing is betrokken en van het nieuwe onderkomen van de kostuumcollectie, een kelder die onder de binnentuin komt, wordt alleen de kale, betonnen casco opgeleverd.

Een van de grootste problemen waar het gebouw mee kampt is vocht. Tijdens de Mondriaan-tentoonstelling vorig jaar droop het water uit de plafonds. Ook de glazen overkapping van de tentoonstellingszalen, die het gebouw zijn beroemde lichtinval geven, moet worden vervangen omdat ze door vocht is aangetast. In het tot in alle details doordachte ontwerp van Berlage lagen de ruiten verend in de sponningen, zodat condensvorming werd tegengegaan. Maar bij een verbouwing werden de ruiten later gefixeerd. Het glas kon bij warmte niet meer uitzetten en roest, betonrot en gesprongen ramen waren het gevolg.

De door Berlage in de jaren dertig bedachte constructies zijn vaak eenvoudig, en zijn ontwerpen hebben na vijftig jaar niets van hun kracht verloren. De beste oplossing voor veel problemen waar het gebouw mee kampt, is vaak te vinden in de originele bouwtekeningen, aldus Nies.

''Een voor één geeft het gebouw zijn geheimen prijs'', constateert Nies, die zich twee jaar in het gebouw heeft verdiept. Dat geldt bijvoorbeeld voor het even eenvoudige als doeltreffende systeem om het licht in de zalen te regelen. Achter een houten schot bleek een hendel te zitten, waarmee de lamellen in de glazen overkapping van de zaal, zonnewering en lichtregulatie tegelijk, kunnen worden bediend. Vroeger kon de museumbezoeker aan de suppoost vragen het licht wat te temperen of juist te versterken, net wat hij wilde. Na de restauratie zal het bedienen van de lamellen elektronisch geregeld worden maar zó, dat ze niet dichtschieten bij elk wolkje dat voor de zon schuift, een hebbelijkheid van de gebruikte electronica waar veel moderne gebouwen aan lijden.

Ook achter betimmering verborgen was het verwarmingssysteem, dat na de restauratie weer in gebruik zal worden genomen. Het museum bleek te zijn uitgerust met voor die tijd uiterst moderne zogeheten panelverwarming, waarbij een buizenstelsel onzichtbaar verborgen in het plafond is aangebracht. Het systeem zorgt voor een verrassend aangename warmte in de zalen, ook nu het winter is en dit deel van het museum niet in gebruik is.

Het Haagse Gemeentemuseum was het laatste ontwerp van architect Berlage; de voltooiing ervan heeft hij zelf niet meer meegemaakt. Lange tijd vond men het niet zijn beste werk; pas in de jaren tachtig kwam de omslag in het denken over het gebouw. Na de Tweede Wereldoorlog moesten musea vooral groot en wit zijn met eindeloze zalen. Met zijn typerende gele baksteen en verdeeld in vele, relatief kleine ruimtes viel Berlages gebouw uit de toon.

    • Ilse van der Velden