Religie is zaak voor antropoloog

De moderne, 'teugelloze' theologie heeft geen bestaansrecht meer aan openbare universiteiten, betoogde de Leidse filosoof Herman Philipse onlangs op deze pagina, omdat het geen wetenschap is. Gerard de Haas is dat met hem eens, al verwijt hij Philipse enkele taxatiefouten. Gerrit Manenschijn en H.M. Kuitert daarentegen keren zich tegen Philipse's betoog, dat volgens hen berust op een veel te enge definitie van wetenschap.

Het betoog tegen het handhaven van theologische opleidingen op staatskosten van de hand van Herman Philipse in deze krant van 4 januari is zo helder en goed geschreven dat de lezer het er moeilijk niet mee eens kan zijn. Toch maakt hij een paar taxatiefouten.

In de eerste plaats vergaloppeert hij zich door er een centenkwestie van te maken. Wanneer de theologie bevrijd zou worden van haar onnavolgbare waarheidspretenties, zou haar wetenschappelijke aantrekkingskracht nog wel eens veel groter kunnen blijken dan nu al het geval is. De christelijke religie is immers een belangrijk en fascinerend deel van onze sociale werkelijkheid. Wanneer de bestudering daarvan een normale plaats in de sociale wetenschappen krijgt, bijvoorbeeld bij de culturele antropologie, dan bevordert dit waarschijnlijk eerder de toeloop dan dat het deze zou afremmen.

In de tweede plaats slaat Philipse politiek de plank mis door juist minister Ritzen (onderwijs) uit te dagen de overheidsfinanciering van theologische opleidingen stop te zetten. Hoe men het ook wendt of keert, deze opleidingen hebben historische rechten en de ontzilvering daarvan dient door toedoen van een christendemocratische minister plaats te vinden. Het gaat immers om het politieke wilsbesluit om de belangen - of de schijn daarvan - van staat en godsdienst van elkaar los te maken en alleen een christendemocratisch initiatief kan de algehele legitimiteit waarborgen. Een socialistisch of liberaal initiatief zou in de partijpolitieke sfeer blijven hangen.

Laten we hierbij niet vergeten dat het Gereformeerd Politiek Verbond en de Staatkundig Gereformeerde Partij al sinds jaar en dag principieel overheidsfinanciering weigeren van de theologische opleidingen van hun kerkelijke achterban. Zij vertonen een politieke correctheid die in dit verband wel eens voor het voetlicht geplaatst mag worden.

De rechts-orthodoxe broeders zijn er kennelijk meer en beter van overtuigd hoezeer staat en godsdienst en wetenschap en geloof elkaar in gijzeling kunnen nemen. Zo herinner ik me met enige gêne de onverkwikkelijke situatie waarin destijds een kerkelijk hoogleraar, die ethiek in zijn portefeuille had, mij - namens de Rijksuniversiteit! - het recht op promotie ontzegde, omdat “het iuspromovendi niet een voorrecht is dat ontleend kan worden aan intellectuele kwaliteiten, maar een gunst, uitsluitend te verlenen wegens morele voortreffelijkheid”.

De andere kerkelijk hoogleraar, die dogmatiek in zijn portefeuille had, bezwoer me dat nòch intellectuele kwaliteiten, nòch morele voortreffelijkheid er ook maar iets toe deden bij de bestudering van de geloofswaarheden. Een feit is dat ik met plezier theologie gestudeerd heb en nog immer met een zekere hartstocht de theologie toegedaan ben, maar dit laat onverlet dat zowel het standpunt van de ene als dat van de andere hoogleraar ontoelaatbaar is op een instelling voor wetenschapsbeoefening. Zulke standpunten horen thuis op een seminarie en niet op een universiteit.

Ten slotte verbaast het me dat Philipse in zijn verzet tegen de protestantse theoloog Kuitert - die de persoonlijke mystieke godservaring als wetenschappelijk toetsmoment verdedigt - niet het belangrijkste intellectuele argument noemt dat deze stelling ontkracht. De persoonlijke godservaring zoals Kuitert die beschrijft, past helemaal in de Duits-Lutherse sfeer. De vroegere Noordnederlandse vrijzinnigheid had geen moeite deze als “typisch Germaans” voor te stellen, in tegenstelling tot de Romaanse instituutsgebonden geloofservaring.

Hoewel het spreken in termen van 'Germaans' en 'Romaans' door de oorlog in onbruik is geraakt, blijkt uit de discussie tussen Kuitert en katholieke theologen zoals Schillebeeckx hoezeer hun geloofservaringen cultuurhistorisch bepaald zijn gebleven. Dat maakt deze ervaringen ongeschikt voor een “theologie van de zuivere rede”. Maar het maakt ze wèl geschikt voor een antropologische benadering. En uit persoonlijke ervaring weet ik dat dit geen enkele belemmering hoeft te zijn om te geloven en naar de kerk te gaan.

    • Gerard de Haas