Philipse weet veel te zeker wat 'weten' is

De moderne, 'teugelloze' theologie heeft geen bestaansrecht meer aan openbare universiteiten, betoogde de Leidse filosoof Herman Philipse onlangs op deze pagina, omdat het geen wetenschap is. Gerard de Haas is dat met hem eens, al verwijt hij Philipse enkele taxatiefouten. Gerrit Manenschijn en H.M. Kuitert daarentegen keren zich tegen Philipse's betoog, dat volgens hen berust op een veel te enge definitie van wetenschap.

Philipse heeft begrepen dat ik mij erger aan de teugelloosheid van de theologie en daaraan wat wil doen in Filosofie van de theologie (Nijhoff 1988, uitverkocht, dus niet als reclame bedoeld). Volgens hem is die poging niet geslaagd. Met dat oordeel kan ik best leven, je publiceert niet om je gelijk te halen maar om vraagstellingen verder te helpen. Daaraan werkt Philipse echter niet mee, omdat hij veel te snel weet wat we wel en niet kunnen weten.

Theologie vat ik in genoemd boekje op als een wetenschappelijke discipline, die net als elke tak van wetenschap, bestaat uit actie - zeg: wetenschapsbeoefening - en resultaat van actie: een kennisbestand waarmee elke (volgende) generatie weer verder gaat in haar poging om meer kennis te verwerven. Alles mag daarvoor dienen, elke ingeving, elke brain wave van de Heilige Geest, geen enkele wetenschapsbeoefening kan zonder invallen, ideeën, hersenspinsels, of hoe ook te noemen. Het enige is, dat ze net zo goed onzin als zin kunnen bevatten. Dus zit er niets anders op dan ze te toetsen. De natuurwetenschappen doen dat op hun manier: ze maken de werkelijkheid toetsbaar door haar - methodisch - te reduceren tot datgene wat telbaar, meetbaar en weegbaar is. Maar ik hoef niet nog eens te herhalen (zie de reactie van Hendrik Spiering in deze krant van 6 januari) dat de werkelijkheid waarvan wij deel uitmaken meer is dan de natuurwetenschappelijke.

Over dat 'meer' gaat het onder andere in de theologie. Ook daar pleit ik voor de toetsing van uitspraken, en van de mogelijkheid daartoe maak ik de aanwezigheid van theologiebeoefening aan de universiteit afhankelijk. De cognitieve pretenties van de theologie (het kennisbestand) nodigen zelfs expliciet uit tot toetsing: 'gefundenes Fressen' voor een wetenschapper, zou ik zeggen. Lijden al die mensen die aan godsdienst doen dan aan “mentale inertie” (Philipse) of zadelt dat gegeven ons op met de vraag hoe ze daar bij komen?

Natuurlijk, God kan niet worden onderzocht (dat sluit het begrip 'God' uit), maar menselijke uitspraken over God wel. Godsdienst is mensenwerk. Voor toetsen komt de ervaring in aanmerking: komen mensen tegen wat ze God noemen? Dat is volgens Philipse een circulaire redenering. Maar hoe erg is dat? Plato maakte al duidelijk dat er geen kennis bestaat die niet circulair is (als wijsgeer zal dat Philipse niet zijn ontgaan, neem ik aan, tenzij hij alleen natuurwetenschappelijke kennis voor kennis wil houden). Op dat tegenargument ga ik in Filosofie van de theologie overigens keurig in: er bestaat geen wetenschapsbeoefening zonder circulariteit.

De godsdienstwetenschap vind ik daarvan een mooi voorbeeld (dat heb ik in mijn boekje dan ook uitgebuit). Godsdienstwetenschap velt geen oordeel over cognitieve pretenties van godsdiensten. Dat is haar methode van werken. Maar als godsdienstwetenschap zou zeggen dat geloof in God een vrucht is van mentale inertie, hief de discipline zichzelf op. Vooronderstelling van alle godsdienstwetenschap is dat godsdienst niet iets anders is dan godsdienst. Ziedaar het probleem, wat mij - met alle godsdienstwetenschappers - intrigeert en waar Philipse al mee klaar is voordat hij eraan is begonnen.

Ik beweer niet dat het zo simpel zit met dat toetsen. 'Het kost tijd, zo niet eeuwigheid'. Hopelijk leest Philipse niet over zulke regeltjes heen. Ze laten het spel-element zien dat in elke vorm van wetenschapsbeoefening, ook in theologie, aanwezig is en het bedrijf bij zijn ware - relatieve - proporties bewaart. Bij wijze van spel (laat ik het zo zeggen) heb ik in Filosofie van de theologie dan ook een model van theologiebeoefening proberen te construeren dat tegemoet komt aan wat voor een moderne universiteit als wetenschapsbeoefening geldt, dus een model dat de cognitieve pretenties blootstelt aan minimale eisen van wetenschappelijkheid. Of de theologie dat overleeft? In elk geval wordt ze er veel spannender van, moet ze zich bezighouden met wat anderen beweren. Want als je niet van geopenbaarde waarheden uitgaat, mag iedereen meedoen. Ook Philipse. Als hij zegt dat het allemaal onzin is, telt dat mee. Alleen, de argumenten moeten dan wel wat beter uit de verf komen. Zo eenvoudig als hij de zaken voorstelt, liggen ze niet. Door de eeuwen heen is er een vracht aan theologie geleverd, en al was er maar tien procent daarvan zinvol, dan nog is het leuke van theologie dat je zin en onzin uit elkaar leert houden. Dat klusje laat Philipse zich ontgaan, hij lijkt op een dokter die de kwaal wil bestrijden door het orgaan te extirperen.

Kan theologie dus aan de universiteit blijven? Vatten we de universiteit op in de zin van Von Humboldt (met 'Bildung' als ideaal), dan ligt de zaak minder problematisch. De hele Europese cultuur is doordrenkt van godsdienst, dus waarom zouden we die buiten de opvoeding sluiten? Lastiger ligt het als we godsdienst op haar cognitieve pretenties blijven aanspreken. Want dan doemt meteen het meervoud op: godsdiensten.

Ik doe in mijn boekje een voorstel, dat ook recht doet aan de islam en eventueel andere niet-christelijke vormen van theologiebeoefening. Ik zou de basis van een theologische faculteit willen laten vormen door een korte beroepsopleiding. Predikant, priester, imam ontvangt daar wat hij nodig heeft om zijn ambt uit te oefenen. Daarbovenop dan een gemeenschappelijke bovenbouw, bestaande uit godsdienstwetenschap, godsdienstfilosofie en een departement 'waarheid', waar kennis wordt bijeen gebracht en toetsingsmogelijkheden worden besproken. Het voorstel hoeft niet naar minister Ritzen te worden opgestuurd, het boekje ligt al - als het goed is - in de bibliotheek van het ministerie van onderwijs.