Orient House

EEN FIKSE UITVAL van de Israelische premier Peres aan het adres van Nederland heeft in Den Haag de alarmfase doen ingaan. Er was al eerder enige ongerustheid ontstaan over het voornemen van minister Van Mierlo om volgende week een bezoek te brengen aan Orient House, waar de vertegenwoordiging van het Palestijnse zelfbestuur in Oost-Jeruzalem is gehuisvest. De Israeliërs schrikken niet meer van een internationale opwaardering van de Palestijnse autonomie. Tenslotte hebben zijzelf daartoe bijgedragen. Maar het oostelijke stadsdeel is in Israelische ogen toch nog teveel porseleinkast om er op Hollandse klompen doorheen te laten klossen. De intimidatiepoging van Peres kan dus eenvoudig worden verklaard.

Maar dat betekent niet dat Van Mierlo van zijn plan zou moeten afzien. De minister heeft op langere termijn een paar overtuigende argumenten voor zijn bezoek. Hij is niet de eerste van zijn ambtgenoten van de Europese Unie die Orient House aandoet, sterker, hij opereert naar eigen zeggen binnen een overeengekomen Europees beleid. Terugkomen op zijn voornemen zou daarmee een zeer zichtbare breuk betekenen, iets dat het nationale belang (hier spreekt de herijkingsnota) zou schaden en de geloofwaardigheid van Nederland tegenover de Arabische landen zou ondermijnen. HET OOSTELIJKE DEEL van Jeruzalem is met de rest van de Westelijke Jordaanoever in 1967 door Israel op Jordanië veroverd. Daarmee werden de tempelresten en de Klaagmuur weer toegankelijk voor joodse gelovigen. Waar de Israeliërs over betekenis en functie van hun militaire aanwezigheid op de zogenoemde Westbank altijd onderling van mening hebben verschild, bestaat er een communis opinio over Jeruzalem. Het oude, Turkse stadsdeel mag niet meer worden opgegeven. Alleen, deze claim is internationaal zelfs een begin van erkenning onthouden. Er zijn oplossingen denkbaar voor de status van oostelijk Jeruzalem, maar het Israelische standpunt daaromtrent zal hoogstens een van de diplomatieke vertrekpunten kunnen zijn.

Nederland, dat in de loop van vele jaren is opgeschoven van onbelemmerd pro-Israelisch naar het genuanceerde en pragmatische midden tussen de joodse staat en zijn Arabische buren, waar zich de andere Europese staten historisch bevinden, mag zich niet geforceerd uit de gemeenschappelijke pas laten dwingen. De Israeliërs zullen er aan moeten wennen dat ook Den Haag niet meer kritiekloos hun standpunten deelt, ook al zal er meer dan gemiddelde gevoeligheid blijven bestaan voor hun intrinsieke kwetsbaarheid. Maar die kwetsbaarheid moet door een duurzame vrede worden gewijzigd in zekerheid en veiligheid. De weg daarheen is, ook van Israelische zijde, bewust en ruimhartig ingeslagen. Maar echte vrede zal niet worden bereikt zolang Israel wat de toekomst van Oost-Jeruzalem betreft geen plaats voor de PLO wil inruimen. DE TWEEDE KAMER heeft, zoals opgemerkt, nogal opgewonden gereageerd. Wat de oppositie betreft verklaarbaar. Zij maakt van het nog altijd bij het Nederlandse kiezersvolk aanwezige sentiment gebruik zich te profileren. Maar van regeringspartijen mag worden verwacht dat zij bewindslieden ruimte laten voor het voeren van beleid. Al was het maar om de eigen controlerende functie achteraf niet nodeloos uit te hollen. Een Kamer die zich voortdurend op de ministeriële armleuning nestelt, tast het dualisme aan. De kwalijke gevolgen daarvan zijn vorig jaar in het onbevredigende Srebrenica-debat afdoende scherp aan het licht getreden.