Kievit siert het nieuwe duizendje

Daar komt een vogel aan

met rafelige vleugels

diepe slagen zwart op wit.

Hij duikt en dartelt

laat zijn maffe kuifje zien

slijpt zijn stem en roept

zichzelf tot kievit uit.

AMSTERDAM, 10 JAN. Dit gedicht van Koos van Zomeren siert het nieuwe bankbiljet van duizend gulden, de 'kievit' (vanellus vanellus), dat president W. Duisenberg van De Nederlandsche Bank gisteren presenteerde. Het duizendje komt vanaf 2 april in omloop, vooralsnog ter gedeeltelijke vervanging van het oude 'Spinoza'-duizendje, dat vanaf 1971 dienst doet. Net als de 'snip' en de 'steenuil', het oude en nieuwe biljet van 100 gulden, blijven de twee duizendjes voorlopig naast elkaar bestaan. Duisenberg liet gisteren niets los over het tijdstip waarop De Nederlandsche Bank overgaat tot “stille intrekking” van het oude biljet van duizend. Dat is, volgens de bankpresident, afhankelijk van de vraag naar de nieuwe biljetten. Over de kwestie waar die vraag vandaan zal komen liet Duisenberg niet veel misverstanden bestaan: zeventig procent van de bankbiljetten van duizend gulden fungeert op dit moment als vermogenstitel, wat wil zeggen dat de biljetten door particulieren worden opgepot in kluizen, oude sokken of tussen het linnengoed. De resterende dertig procent die wel als betaaltmiddel fungeert, wordt gedomineerd door de agrarische sector, de tweedehands autobranche, de drugshandel en het gokcircuit.

De 14,9 miljoen duizendjes die nu in omloop zijn, vertegenwoordigen 14,9 miljard gulden - bijna veertig procent van de totale waarde aan contant geld. Alleen al in duizendjes ligt dus meer dan een kwart van de totale hoeveelheid contant geld in Nederland vast in kluizen en onder matrassen. In duizendjes domineert ruim eentiende van al het contante geld in de vier 'betalingscircuits' die Duisenberg beschreef. En dan zijn de biljetten van 250 gulden, waarvan eveneens bekend is dat ze als oppotmiddel fungeren, niet meegeteld.

Het nieuwe biljet van 100 gulden, dat drie jaar geleden werd ingevoerd, had de steenuil als thema. De kievit was voor het duizendje de derde keus. Eerst probeerde ontwerper Jaap Drupsteen, die eerder verantwoordelijk was voor het 'roodborstje', het briefje van 25, en daarna het biljet van 100 gulden, het met de specht, maar dat bleek technisch moeilijk haalbaar. De groene kikker werd vervolgens op grond van het imago van het bankbiljet terzijde geschoven. Waarna de kievit met succes in het ontwerp kon worden ondergebracht, met de kop in het watermerk en het ei tweezijdig verwerkt in de linkerbovenhoek van het vooraanzicht van het bankbiljet. Voor de uitstekende kuif van de vogel moest Drupsteen wel extra ruimte maken in zijn oorspronkelijke ontwerp. De elf benamingen voor de kievit die in Nederland gangbaar zijn, staan in microprint op het biljet. De in Friesland geboren Duisenberg prefeert 'ljip'. De ontwerpkosten van 3 miljoen gulden niet meegerekend, kost de vervaardiging van een nieuw duizendje 33 cent per stuk.

Zo'n drie miljoen exemplaren liggen in de kelderverdieping van het hoofdkantoor van De Nederlandsche Bank te wachten op verspreiding.

Als de Europese muntunie in 1999 volgens plan van start gaat, zal in de eerste helft van het jaar 2002 contant 'euro'-geld de gulden gaan vervangen. Dat heeft de Bank er niet van weerhouden het nieuwe duizendje toch op de markt te brengen. Volgens Duisenberg zijn nieuwe fotokopietechnieken al zo ver gevorderd dat het oude duizendje kwetsbaar wordt voor vervalsing. De Bank trof vorig jaar 'enkele' vervalsingen aan, maar vaker wordt geprobeerd de 'snip' van 100 en het biljet van 25 gulden te vervalsen.

Het biljet van duizend gulden telt zeven echtheidskenmerken. Voor het publiek zijn dat het schaduwwatermerk (de kievitskop), voelbare inkt op de rechter en linkerkant van de voorzijde en de teksten, het doorzichtregister (het kievitsei waarvan de twee delen aan de voor- en achterkant bij het doorzien van het biljet naadloos op elkaar moeten sluiten) en de kleine, leesbare tekst van Koos van Zomeren. Voor kassiers zijn er ook nog een ultraviolet oplichten van papiervezels, de kievitsnamen en de correcte afmetingen van het biljet.

Evenals de steenuil is de kievit tegen fotokopiëren beschermd met een glanzend vlak en metallic stippen (planchettes) die zwart worden bij een kopie, en inkt op de achterkant die bij kopiëren juist wit uitslaat. Het nieuwe duizendje kan nog zes jaar mee, en zal dan niet meer terugkeren: de hoogste coupure van de euro (wisselkoers van de huidige ecu is op dit moment 2,05 gulden) zal 500 bedragen. Het Nederlandse duizendje is in waarde de op twee na hoogste coupure van Europa. Alleen het biljet van 1.000 D-mark en dat van 1000 Zwitserse franc zijn meer waard.

Niet bekend

    • Maarten Schinkel