Het politieke primaat

HET NIEUWE JAAR voor het macro-economische beleid begint traditiegetrouw met een zwaar aangezet artikel dat de hoogste ambtenaar van het ministerie van economische zaken schrijft voor het economenblad ESB. Het is een soort alternatieve troonrede, waarin de secretaris-generaal van EZ zijn visie uiteenzet op de stand van de Nederlandse staatshuishouding en op de (zijn inziens) dringend noodzakelijk geachte veranderingen in het beleid. Zo'n gezaghebbende boodschap van een van de ambtelijke sleutelfiguren in het Haagse circuit trekt onvermijdelijk de aandacht. Dat roept de vraag op naar de ambtelijke beleidsvrijheid en de politieke verantwoordelijkheid.

De nieuwjaarsartikelen in ESB zijn begonnen in 1957, maar pas onder de vorige secretaris-generaal, Rutten, kregen ze een politieke betekenis. Met zijn bijdragen haakte Rutten, overigens met vertraging, aan bij het veranderende economische denken en had invloed op het publieke debat. Zijn opvolger, Geelhoed, heeft deze lijn voortgezet.

Jaar na jaar wijst hij op de verstarde institutionele arrangementen in de Nederlandse economie, op de noodzaak om een open oog te houden voor de internationale economische veranderingen en de Europese dimensies van het beleid. Geelhoed is een voorstander van vrijhandel en van marktwerking; hij heeft een afkeer van een sturende, over-regulerende en mee-onderhandelende overheid die zich met alles en nog wat bemoeit. Hij wil een sterke overheid die algemene, heldere richtsnoeren geeft en op de naleving daarvan toeziet, maar overigens burgers en bedrijven zo min mogelijk lastig valt. Zijn opvattingen zijn een pleidooi voor een betrouwbare overheid die zorgt voor stabiele macro-economische verhoudingen en goed werkende markten. Een beschaafd soort economisch liberalisme waarin deze krant zich goed kan vinden. TOCH WRINGT ER IETS bij dit soort jaarlijkse publieke vermaningen van ambtswege. Het primaat van de politieke verantwoordelijkheid is ver te zoeken als de richtsnoer van het economische beleid uiteengezet wordt door een ambtenaar die in het parlement niet ter verantwoording kan worden geroepen. Weliswaar houdt de vrijheid van meningsuiting niet op bij de ambtenarenstatus, maar welgemeende beleidsadviezen van topambtenaren horen thuis in het politieke circuit.

Nu zal er tussen de opvattingen van Geelhoed en minister Wijers nauwelijks verschil van mening zijn. Maar een van de inspanningen van het links-liberale kabinet is gericht op de terugdringing van de zelfstandige macht van topambtenaren. Zo heeft de Centraal-economische commissie, in de Lubbers-jaren een geduchte factor van ambtelijke invloed op het macro-economische beleid, sterk aan betekenis ingeboet. In dit licht is ook de nieuwjaarstraditie van het ESB-artikel aan herziening toe. Het zou niet meer door de secretaris-generaal geschreven moeten worden. Of beter: het zou de pennevrucht van de minister moeten zijn.