Geen raad weten met de dingen

Lange reis door Noord Holland, werken op papier van Jaap Min. Teksten door Willem van Toorn. Stichting Uitgeverij Noord-Holland, Wormerveer. 80 blz, prijs fl 49,50. In Museum Kranenburgh, Bergen, is t/m 14/1 een tentoonstelling te zien met werk van o.m. Jaap Min.

Geen landschap zo wijd als het Noordhollandse; geen wolkenlucht zo dramatisch als die boven zich naar de verte uitstrekkende landerijen; geen duinenrij zo blond opkuivend als ginds aan de kust ter hoogte van de Egmonden, en dan zuid- en noordwaarts. Ik bracht ontvankelijke jaren door in Twente, ken het beschutte coulissenlandschap, doorsneden door hagen van wilg en els, als de indeling van het ouderlijk huis waarin ik toen woonde, maar in Noord-Holland vond ik een nieuw landschap voor de ziel: verlaten en toch bewoond, weids en intiem, doortrokken van verleden en herinnering, oude wegen en vaarten, besloten dorpen met de kerk in het midden, weilanden en doorleefde hoeven met schuren, rechte dijken - en achter de duinen de lichtende zee.

Het Twentse land leent zich evengoed als het Noordhollandse voor de schilderkunst, toch is het veel minder op linnen met verf en penseel vastgelegd. Goed, het water is er afwezig. Daar staat tegenover dat zonlicht in zomer en najaar van de korenvelden een golvende zee maakt.

Noord-Holland, en dan vooral de streek rondom het kunstenaarsdorp Bergen, maar ook Groet in het noorden en Graft en Oudendijk naar het westen, is een geschilderd landschap bij uitstek. Het is moeilijk na te gaan waaraan deze streek haar bekoring heeft te danken. Wie weet heeft van de schilderkunst die hier sinds 1900 is ontstaan en tot op heden blijft ontstaan, kan niet anders naar Noord-Holland kijken dan met het oog van de schilders. Landschap en schilderij, schilderij en landschap vormen een onverbrekelijke eenheid. Een landgoed als 't Oude Hof bij Bergen bijvoorbeeld is door verschillende kunstenaars zo veelvuldig vastgelegd, vanuit tal van verschillende hoeken, dat je bijna kunt stellen dat het zich heeft losgezongen van de harde materie waaruit het is opgebouwd. Als een levend, beweeglijk schilderij, telkens anders van kleur door de wisselende lichtval, ligt 't Oude Hof tussen de bomen. De stenen muren zijn streken van het paletmes geworden. Of de landstreek De Voert bij Bergen, zo kenmerkend voor dit gebied en voor schilders ideaal: de weg erdoorheen, hekken en stolpboererijen, de vlakverdeling van de weilanden en akkers, de weteringen, de begrenzing door de duinen. Een streek die uit zichzelf al een geometrische compositie is. Een schilder hoeft, lijkt het, alleen maar te kijken en aan de slag te gaan.

Zo is het natuurlijk niet; dat kijken is de grootste kunst. Een schilder leert ons kijken, hij zet de wereld stil, laat het in kleur en vorm spreken. Een geschilderd landschap kun je ook lezen, om vervolgens de gelezen verf in woorden weer te geven. Willem van Toorn, dichter en schrijver, kan als bijna geen ander schilderijen omtoveren in taal. In het werk van de Bergense schilder Jaap Min (1914-1987) vond hij een rijke inspiratiebron om zijn gedachten over landschap en verf vorm te geven. Het boek Lange reis door Noord-Holland, met aquarellen, tekeningen en gouaches van Jaap Min en met teksten van Van Toorn, is een tweevoudige liefdesverklaring: aan het Noordhollandse landschap zoals Jaap Min dat zag en aan het werk van Min, zoals van Toorn dat ziet.

Nadrukkelijk gebruikt Willem van Toorn het woord 'landschap' en niet 'natuur'. Natuur is gebied zonder herinnering, zoals een oerbos dat is. Landschap daarentegen is geen natuur, schrijft hij: “Landschap veronderstelt menselijke bemoeienis. Landschap ontstaat doordat mensen hun omgeving vormgeven, een muurtje of een hek om een akker of een tuin zetten, een dijkje opwerpen, een huis bouwen, een pad laten ontstaan doordat zij elke dag door de duinen naar zee lopen, of door een bos naar een moestuin. Iets is pas een landschap als mensen er hun sporen hebben achtergelaten - sporen die door latere generaties gelezen kunnen worden, die verbonden zijn met verhalen, betekenissen, geschiedenis.”

Het landschap zoals Jaap Min dat schilderde heeft niets van doen met natuur. De omgeving van zijn woonplaats die hij weergaf in donkere, soms onheilspellende werken is nadrukkelijk door mensenhand aangelegd. Bij hem is er nooit sprake van de lege natuur, hij is juist op zoek naar de gestileerde kromming van een vaart, naar de driehoekige kap van een stolpboerderij, naar de vorm van hekken en kerktorens die hij op ritmische wijze in zijn compositie aanbrengt. Een hek dat een weiland begrenst of een dijk die langs een vaart loopt zijn voor hem even vanzelfsprekende onderdelen van het landschap als, bijvoorbeeld, de traag overdrijvende, door schildershand stilgezette wolken.

Zoals Bergen door Roland Holst eens 'een bezield dorp' werd genoemd, zo is het werk van Jaap Min ook bezield. De sporen die de mensen in het landschap hebben achtergelaten en die de historie van dat land vormen, geven aan zijn afbeeldingen hun bezieling. Onder de kap van een boerderij woonden mensen, elk met hun verleden en toekomstverwachtingen; een dorp, zoals Graft, is meer dan een verzameling huizen, het is een enclave van veiligheid in een wereld die door Min als wanhopig-makend dreigend is geschilderd. Jaap Min wist zich, zo zei hij eens, 'geen raad met de dingen'. Daarom schilderde hij. Mooier omschrijving voor de noodzaak iets te creëren is nauwelijks denkbaar.

Ga maar eens vlak na het vallen van de avond bij Egmond aan den Hoef staan, kijkend in de richting van het gehucht 't Woud. Het land is overheersend blauw-grijs, net als de lucht, waartegen boerderijen en een hooischelf zich lichtrood aftekenen. Dit is oud land, in eeuwen gegroeid tot een patroon van rechthoekige, vierkante en golvende vormen. Zo gaf Jaap Min het weer: bonkig, krachtig, massaal. Onontkoombaar in zijn robuustheid. Er gaat geheimzinnigheid van uit, juist als wanneer je 's avonds buiten staat en het landschap je iets van een huivering geeft.

Want het donker zal nooit helemaal diep donker zijn, evenmin als het intens duister is in Mins werken. Dat kan ook niet, dan zou er ternauwernood iets te onderscheiden zijn. Er is altijd een lichtval langs de gevel van een boerderij, op het hek, de rand van een wolk. Waar dat licht vandaan komt, is het raadsel van Jaap Mins schilderijen. De nacht wijkt nooit helemaal. Hoe krijgt de schilder het voor elkaar dat wij, na het zien van een afbeelding, de werkelijkheid dieper ervaren? Willem van Toorn schrijft: “Ik denk dat hij verwijst naar je eigen herinneringen, naar momenten van betovering die in je hoofd zijn opgeslagen: zo zag ooit een tarweveld er één seconde uit toen er een windvlaag overheen ging (-); zo blonk het water in de sloot, als oud tin of koper, nog net voordat het licht uit de lucht verdween, en je het avondrood nog in het water kon vermoeden terwijl er aan de hemel geen spoor meer van over was.”

    • Kester Freriks